Bisschop David van Bourgondië (1427-1496), de landsheer van het Sticht Utrecht,  had het na de dood van zijn halfbroer, hertog Karel de Stoute van Bourgondië, in 1477, verkorven bij grote delen van de Stichtse adel en de bevolking van de stad Utrecht. In januari 1482 plunderden zijn troepen de Biltse kloosters na al elders bij Utrecht te hebben huisgehouden. Hierna volgt het verhaal daarvan, gebaseerd op een aanklacht tegen de bisschop uit de tijd zelf. [Museum Catharijneconvent, David van Bourgondië op een drieluik van de Meester van Delft.]

 

Meer informatie

Jan III van Montfoort had in 1481 de bisschop  de toegang tot zijn stad Utrecht ontzegd. Niet zonder reden. A. J. van der Aa schreef in deel IV van zijn Biographisch woordenboek der Nederlanden (Haarlem 1858):

De bisschop bekommerde zich niet om de liefde en achting zijner onderdanen, handelde geheel naar willekeur, schond wetten en verdragen en ontzag zich niet de vrijheid, de bezittingen, ja zelfs het leven der ingezetenen aan zijne belangen en heerschzucht op te offeren. […] Eindelijk was de verbittering der Utrechtenaren ten top gestegen, en hunne woede barstte in openlijken tegenstand uit; bisschop David vertrok veiligheidshalve naar Wijk bij Duurstede [1477], en liet alzoo aan de Utrechtenaren de handen vrij.’

In het begin van het jaar 1482 werden door de bisschoppelijke troepen weer eens onschuldige slachtoffers gemaakt, nonnen en monniken. Omstreeks 16 januari bezochten zij Vrouwenklooster in De Bilt. (Volgens de uitgever de hieronder te raadplegen aanklacht,  J.J. Dodt van Flensburg, zou het om het jaar 1481 gaan, maar dat lijkt een vergissing.) Er werd geroofd, geplunderd en vernield, relikwieën werden ontheiligd, de kerk en het klooster ontwijd door soldaten die er hun behoefte in deden. Van schadevergoeding voor de ‘joffers’ – de adellijke nonnen van het klooster – wilde de bisschop, ondanks de smeekbeden van de nonnen om hen te beschermen, niets weten.

Ook het mannenklooster Sint Laurens in Oostbroek werd getroffen door de woede van de bisschop. Een paar weken na de excessen van januari 1482, op 5 februari , sloeg de bisschop zijn kamp op in en bij Vrouwenklooster, om van daaruit Utrecht aan te vallen en het ‘voordorp van de stad’ Utrecht, aan de Biltse kant van de stad, te verbranden. Het was de zoveelste militaire botsing bij de  stad. Enkele maanden eerder hadden door bisschop David gehuurde Hollandse troepen een zware nederlaag geleden bij Vreeswijk  tegen troepen van de stad Utrecht. Het debacle bij Vreeswijk was gevolgd door een revanche bij Westbroek, op Tweede Kerstdag 1481.  Hollandse Troepen die aan de kant van de bisschop stonden hadden toen een groot getal tegenstanders uit de stad Utrecht én het grootste deel van de bevolking van het dorp in de Slag bij Westbroek omgebracht. Deze Kabeljauwse, ‘Bourgondische’ troepen richtten een ware slachtpartij aan. Utrecht moest in Bourgondische handen blijven, vond ook de latere keizer Maximiliaan, weduwnaar van Maria van Bourgondië en vader van Filips de Schone. Meer over de Slag bij Westbroek kan men lezen door HIER te klikken. Het verhaal van de wandaden van de bisschop en zijn troepen en meer over de achtergrond ervan, kan men lezen in de hiervoor al genoemde oorspronkelijke bron, de ‘Beklachten‘ of aanklacht tegen bisschop David . Daarvoor klik men aan:  Aanklacht tegen bisschop David.

Een op een andere bron gebaseerde, andere versie van het voorgaande kan men lezen door HIER te klikken.

AD

 

Bron:

J.J. Dodt van Flensburg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen inzonderheid van Utrecht (Utrecht 1838) 163-168, m.n. 166v.