
In de vroegmoderne tijd ontwikkelde het lager onderwijs in Westbroek zich binnen een typisch dorpskader, waarin kerk, lokale overheid en ambachtsheer een centrale rol speelden. De school had niet alleen een onderwijskundige functie, maar was ook nauw verweven met kerkelijke taken, armenzorg en het lokale bestuur. Tot het begin van de negentiende eeuw werd het onderwijs sterk beïnvloed door plaatselijke omstandigheden. Religie, seizoensarbeid en de financiële draagkracht van de bevolking bepaalden in hoge mate hoe de school functioneerde. Hierboven: Jan Steen, De dorpsschool.
De kerkelijke gemeente van Westbroek omvatte zowel de heerlijkheid Westbroek als Achttienhoven. Westbroek was ongeveer tweemaal zo groot als Achttienhoven. Binnen deze gemeenschap vormden protestanten de meerderheid, al was bijna een derde van de inwoners katholiek. Er waren geen aparte katholieke scholen en er zijn nauwelijks aanwijzingen voor religieuze spanningen rond het onderwijs.
De schoolmeester vervulde doorgaans meerdere rollen. Hij gaf niet alleen les, maar was ook koster van de kerk. In het begin van de zeventiende eeuw hoorde zelfs het bespelen van het orgel tot zijn taken. Daarmee was de schoolmeester een sleutelfiguur in het religieuze én sociale leven van het dorp.
Het schoolgebouw
Over het schoolgebouw zelf is weinig bekend, maar duidelijk is dat de school en de woning van de schoolmeester onder één dak waren ondergebracht. Aan het einde van de achttiende eeuw verkeerde het gebouw in slechte staat. In 1784 was het zo vervallen dat een grondige vernieuwing noodzakelijk werd geacht. Hoewel er herstelwerkzaamheden volgden, was het gebouw enkele decennia later opnieuw sterk verwaarloosd.
Leerlingen en schoolbezoek
Het aantal leerlingen in Westbroek schommelde sterk door de jaren heen. Halverwege de achttiende eeuw bezochten in de winter ongeveer tachtig kinderen de school, terwijl dit aantal in de zomer terugliep tot ruim vijftig. Tegen het einde van de achttiende eeuw werd de seizoensgebondenheid nog sterker: in de winter waren er tientallen leerlingen, maar in de zomer kwam het soms voor dat er helemaal geen kinderen naar school gingen omdat ze op het land moesten werken.
Aan het begin van de negentiende eeuw lag het aantal leerlingen in de winter rond de zestig tot zeventig, met uitschieters boven de tachtig. Later in de eeuw groeide het leerlingenaantal verder door tot gemiddeld ongeveer honderd.
Lesgeld en vakken
Voor het onderwijs werd schoolgeld betaald, waarbij de hoogte afhankelijk was van het vak. Lezen was het goedkoopst, schrijven kostte meer en rekenen was het duurst. Voor veel kinderen bleef het onderwijs daardoor beperkt tot leren lezen. Voor leerlingen uit arme gezinnen nam de diaconie de kosten op zich.
De gebruikte schoolboeken waren typerend voor die tijd. Naast een abc-boek en leesboeken zoals De trap der jeugd en De spiegel der jeugd, werden leerboeken zoals De letterkonst gebruikt. Religieuze teksten vormden een belangrijk onderdeel van het lesprogramma. Leerlingen lazen onder meer de Catechismus, het Evangelieboek, de Spreuken van Salomo en Bijbelverhalen zoals dat van David.
Geletterdheid van de bevolking
Ondanks de wisselende kwaliteit van het onderwijs was de geletterdheid in Westbroek aan het einde van de achttiende eeuw relatief hoog. Ongeveer driekwart van de mannen kon zijn handtekening zetten, en onder vrouwen was dat ongeveer twee derde.
Deze cijfers laten zien dat het dorpsonderwijs, ondanks beperkte middelen en onregelmatig schoolbezoek, een belangrijke bijdrage leverde aan de basisgeletterdheid van de bevolking.
DAB
Literatuur:
De Booy, E.P., De weldaet der scholen, het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de eeuw, Utrecht 1977.