Door aanhoudende onrust en plunderingen was het klooster Oostbroek in 1580 vrijwel verlaten. De abt had nog maar drie of vier monniken over. Het stadsbestuur van Utrecht vreesde dat het klooster bij een vijandelijke aanval als uitvalsbasis zou dienen en besloot daarom de abt toestemming te vragen het klooster te mogen afbreken. [Detail van een kaart van Gooiland in het Nationaal Archief, 4VTH, nr. 2580.]
De bouwmaterialen konden worden gebruikt om de stad te versterken. Na aanvankelijk verzet stemde de abt hiermee in, in ruil voor vrijstelling van accijns op wijn en bier. Ondanks protesten van geestelijken en edelen werd het klooster gesloopt. Van het oorspronkelijke complex bleven uiteindelijk alleen een kerkmuur en de lindenboom, bekend als de Kloosterboom, over. De overige bezittingen kwamen onder beheer van een commissie uit de Staten van Utrecht. De stoffelijke resten van Willem, graaf van Rennenberg, en de afbeeldingen van hem en zijn echtgenote werden naar Zuilen overgebracht. De tekst van het raadsbesluit en de hertaling ervan kan men lezen door aan te klikken: De stad Utrecht biedt de abt van Oostbroek belastingvrijstelling aan in ruil voor zijn klooster
AD
Bron: Tijdschrift voor Geschiedenis , Oudheden en Statistiek van Utrecht, 1835.