In mei 1658 kreeg de Westbroekse chirurgijn Symen van der Veen een bijzondere patiënt ter behandeling, zijn eigen gewonde vriendin Hilligje Cornelis. [Een chirurgijn aan het werk, Pieter Jansz. Quast, ca. 1634 – ca. 1640. Rijksmuseum Amsterdam].

 

Meer informatie

 

Hilligje Cornelis was een weduwe, die kennelijk de vriendin van Van der Veen was. Ze wordt als Van der Veens ‘huijsvrouw’ aangeduid. Hilligje was door de dienstmeid van zekere Neeltje Franken,  Jannetje Aris, tot bloedens toe mishandeld en daarna in een ton gestopt. De reden van Jannetjes gedrag wordt in de bronnen niet gegeven. Hilligje was totaal van streek bij een andere weduwe, Beertje Banckerts die in haar huis aan het spinnen was, binnengevlucht. Beertje getuigde hierover vier maanden later voor de procureur-generaal van het Hof van Utrecht. Datzelfde deed Symen van der Veen die zijn huisvrouw op de dag van Jannetje Aris’wandaad behandelde met ‘eenige remedien’ (geneesmiddelen). De dagen na het gebeuren nam de chirurgijn nog bloed in de urine van Hilligje waar en gaf haar daarvoor nog ‘eenige innerlicke remediën’, kennelijk in te nemen medicijnen.  Voor de originele bron klik men aan: Een Westbroekse chirurgijn en zijn mishandelde vriendin.

 

Over (dorps)chirurgijns in de zeventiende eeuw

 

Onbekend is of Van der Veen een echte (universitair geschoolde) arts was, of een minder gekwalificeerde heelmeester. Het laatste is het waarschijnlijkst. We lezen in G.A. Lindebooms Geschiedens van de medische wetenschap in Nederland (Haarlem 1972):

Tegenover de opleiding der doctoren stak die der heelmeesters wel zeer ongunstig af. Ze bestond hierin dat men enige jaren als knecht, later als leerling bij een chirurgijn in huis en in de leer kwam en hem de kunst trachtte af te kijken (die hij soms bewust geheim wilde houden […]  Vele van deze chirurgijnsgezellen […] konden nòch lezen nòch schrijven, laat staan dat ze Latijn kenden. De eerste tijd leerden ze ‘den baard schrabben, ’t haar poejeren, de knevels opsetten, plaasters smeren, charpie (pluksel) maken en lopen (ze) enige jaren langs de straat’. Natuurlijk wisten wel enkelen zich op te werken, bijvoorbeeld door later medicijnen te gaan studeren, maar dit gold zeker niet voor het gros van hen. Hun eigen ervaring bij de behandeling van grote en ernstige verwondingen en van beenbreuken moesten ze veelal door vallen en opstaan, in eigen praktijk opdoen, dat wil zeggen ze moesten zich zelf ontwikkelen.’

 

Hoe het zij, Van der Veen was in ieder geval het lezen en schrijven machtig, anders dan getuige Beertje Banckerts, die haar getuigenis ondertekende met een kruisje. Overigens is onbekend hoe de zaak voor Jannetje Aris afliep.

 

AD

Bron: Utrechts Archief, toegang 239 (Hof van Utrecht). Stukken betreffende ordinaris procedures, waarin de procureur-generaal ambtshalve partij is, 1593-1800. Nr. 108-12. Jannichjen Aris te Westbroek, c. procureur-generaal, 1658.