In mei 1795 vertelde schout Maarten van den Helm wat hem in de periode 1787-1795 overkomen was.  Hij onderbouwde zijn rekening voor het nieuwe Bataafse bewind, met een tientallen pagina’s lang document waarin hij geëmotioneerd zijn ervaringen omschreef. (Prent van plunderingen van de huizen van vluchtende patriotten in Utrecht. Rijksmuseum Amsterdam.)

 

Meer informatie

Hij schrijft over de schade die hij ondervond ‘door en zins de ongelukkige omwenteling [revolutie] van ’t jaar 1787 (de inval van de Pruisen en de verjaging van de patriotten) op eene zo schreeuwende wijze door het toen heerschend stedelijk, staats, stadhouderlijk en militair geweld aan allen en een iegelijk in hunne persoonen en goederen zijn toegebragt’. In 1788 had het Utrechtse gerechtshof vervolging tegen hem ingesteld en hem willen arresteren. Dat was omdat hij als commandant van een troep militairen Utrecht had willen bezetten en de stadhouder uit zijn ambt had willen zetten. Kortom, Van den Helm werd beschuldigd van hoogverraad. Van den Helm had eieren voor zijn geld gekozen en was het gewest Utrecht uit gevlucht. Van den Helm verwees naar het jaar 1449 toen burgers van Maarsen en Maarseveen de burgerij van Utrecht te hulp zouden zijn geschoten. Er was in die tijd een heftige strijd om de Utrechtse bisschopszetel gaande. Iets anders, schreef de schout,  was er in 1787 niet aan de hand geweest, toen Van der Helm met de  schutterij van Maarssen en Maarseveen naar Utrecht was getrokken.

Hoe het zij, Van den Helm moest niet alleen vluchten, hij verloor ook het schoutambt van Westbroek en Nigtevecht, ‘zonder dat [de heer van Zuilen] […] mij daarvan eenige kennis [gaf]’. Had die hem niet zelf die functie aangeboden? Had de heer van Zuilen en Westbroek, Van Tuyll van Serooskerken, hem niet na de Pruisische inval verzekerd, dat hij schout mocht blijven? Dat was gebeurd op voorwaarde dat Van Tuyll van Van den Helm een borgsom ontving voor het innen van de lokale belastingen door Van den Helm als gadermeester [belastinginner]. Die betaling was door Van den Helm prompt gedaan.

De schade door verlies van het schoutambt alleen al was groot, meer dan 3.700 gulden, betoogde Van den Helm. Bij dat alles was hij zijn notariaat kwijtgeraakt, en had hij ‘schaade aan mijn huis [geleden] door het stukken slaan der glazen, raamen, luiken enz.’, ‘door het spolieeren [plunderen] en fijtelijk uit mijn huis haale van mijne eigene snaphanen [geweren]’.  Wie het complete verhaal van Van den Helm wil lezen klikke voor het eerste deel deze link aan: de schout klaagt,  voor deel 2: deductie Van den Helm. Zo kan men het originele stuk lezen, zoals het gepubliceerd werd in de Verzameling van alle de memorien van geleeden schaden, (deel IV)  [Utrecht 1795]. Meer over Van den Helm lezen? HIER aanklikken.

Als men deze LINK aanklikt, vindt men een volgende post over de gevolgen van de patriotse strijd en revolutie voor de kernen van de Bilt.

AD