In 1798 werden de gilden in de Bataafse Republiek formeel afgeschaft. De oude stedelijke regels, die onder meer de uitoefening van ambachten en de concurrentie regelden, werden daarmee aangepakt. De overgang verliep echter geleidelijk. Pas in 1818 maakte koning Willem I definitief een einde aan de nog bestaande gilden. [De schoenmaker, Jozef Israëls, 1834-1911. Rijksmuseum Amsterdam.]
Concurrentie uit De Bilt
In Utrecht golden strenge voorschriften voor de handel in schoenen. Zo was het verboden om nieuwe laarzen of schoenen van buiten de stad binnen te brengen. Daarmee werden de Utrechtse schoenmakers beschermd tegen concurrentie van buitenaf. Dat was vooral lastig voor de inwoners van Utrecht die wisten dat er vlak buiten de stad goedkoop nieuwe schoenen konden worden gekocht. In het nabijgelegen De Bilt waren immers enkele goede schoenmakers gevestigd. Zij boden hun producten voor ongeveer een gulden minder aan dan de schoenmakers in Utrecht. Maar die nieuwe schoenen mocht men de stad niet binnenbrengen, omdat de gilderegels de Utrechtse schoenmakers beschermden. Hoe dit op te lossen?
De oplossing was even eenvoudig als doeltreffend. Nog voordat men bij de stadspoort kwam, werden de nieuwe schoenen aangetrokken. De oude exemplaren werden onder de arm meegenomen. Bij de poort stond het ‘verklikkershuisje’, waar toezicht werd gehouden op het binnenbrengen van goederen. De controleurs konden de schoenendragers echter niets in de weg leggen. Wat men onder de arm droeg, waren geen nieuwe, verboden zaken maar gebruikte schoenen.
De beschrijver hiervan, de negentiende-eeuwer Frederik Nagtzaam, kenschetste deze gang van zaken als een van de „dwaasheden, waartoe het verbodsstelsel noodzakelijk voerde.” Nagtzaam beschrijft ook een oude Utrechtse schoenmaker, ‘een eerlijk en ijverig man’, die een van de overlieden van het gilde was. Voor hem waren de gilden onderdeel van de vertrouwde orde die zijn hele werkzame leven had bepaald. Met de opheffing van de gilden was hij er ‘innig van overtuigd‘ dat nu ‘alle maatschappelijke banden losgemaakt waren en de wereld naar haar einde liep.’
AD
Bron: Frederik Nagtglas, Voor honderd jaren. Uit de papieren van een tijdgenoot (Utrecht 1886).