In april 1562 kreeg de Maartensdijkse schout Willem Cornelis Obyn opdracht om te zorgen voor een in de zomer en in de winter begaanbare weg langs de Oude Wetering bij Blauwkapel. Weilanden in de buurt mocht hij niet zonder goedkeuring verpachten en evenmin belastingen opleggen voor het project. (Belastingafdracht – rijke en arme mensen en hun verhouding tot geld, anoniem, Hans Weiditz (II), 1514 – 1531, Rijksmuseum Amsterdam.)

 

Meer informatie

Obyn werd hiervoor onder toezicht van een commissaris van het Hof van Utrecht gesteld, Cornelis van Nyenrode. De schout was de belangrijkste ambtenaar van zijn heer in het gerecht Oostveen, domproost Cornelis van Mierop en moest gehoorzamen aan de regels van het gewest. De schout zou hierna echter, zo blijkt in 1564, het gezag van het Hof van Utrecht aan zijn laars lappen. In januari 1564, blijkt, dat de schout zonder toestemming van de gewestelijke overheid aan de Maartensdijkse of Oostveense bevolking en dus illegaal, belastingen had opgelegd om een brug  over de genoemde wetering te maken en daarvoor met zand verhogingen aan te brengen. Het leidde ertoe dat hij door de procureur generaal van het Hof van Utrecht via een deurwaarder werd gedagvaard om de strafeis aan te horen. In ieder geval werd hem daarna door het Utrechtse Hof verboden om nog verder illegaal belasting van de Maartensdijkers te vragen.

Het lijkt erop dat  schout Obyn de klagers over zijn onwettige handelingen ook nog eens uitgescholden had ‘voor schelmen’.  In 1566 diende de zaak over Obyns illegale en beledigende gedrag bij het Utrechtse Hof. Obyns verdediger diende een verweerschrift in om hem van de hem verweten scheldpartij vrij te pleiten en de ‘smaadschriften’ die daarover repten te laten verbieden. Onbekend is of Obyn dit nog meemaakte, in ieder geval zou hij in hetzelfde jaar overlijden.

Hoe het zij, uit alles blijkt dat Obyn eigenmachtig optrad en de Maartensdijkers illegaal geld afperste, wat de Hof van Utrecht hem verbood. Hieronder ziet men een paar citaten uit het dossier hierover in het Utrechts Archief (Archief Domkapittel, 216, nr. 3682). De originelen kan men lezen door aan te klikken: de zaak Obyn.

 

AD

 

Een paar getranscribeerde passages uit de stukken in het dossier:

Anno [15]62 Die veneris 29 Aprilis prefati die approbarunt provisionem scultetatus in Ostveen […] Wilhelmus Cornelius Obyn dat hij alle vercopen aenbrengen sall ende die wech gelegen aende Blauwe Capelle sall hy bequamelyck doen onderhouden ende t lant daertoe staende sall hij niet mogen verhuyren sonder die heeren voors[chreven] wetenschap, advys ende bijwesen van eenige haere commissarissen waertoe die voorn[oemde] heeren [van het Hof van Utrecht] committeert hebben heer Cornelis van Nierode  om inde verpachting vande selve weylande p[rese]nt ende thegenwoordich te sijn, ten eijnde die voorn[oemde wegh bruyckbaer mach sijn winter ende somer.’

 

[|Januari 1564] Aen myn heeren d’eerste ende andere raeden inden hove van Utrecht

Gheeft ootmoedelick te kennen d’procureur generael, dat al ist dat van wegen co[nincklyke] ma[jesteit] ende zyn auteurs scherpel[yk] geinterdiceert [verboden] ende verboden is geweest d’ondersaten [onderdanen, inwoners] van dese landen van Utrecht hem te vervorderen enighe uytsettinghe ofte omslag t doen [om belastingen op te leggen] zonder daertoe te hebben expresse versouck van zyne ma[jestei]t ofte zyne ma[jesteits] stadhouder, president ende raeden aldaer op pene [op straffe van] dat die zelve uytsettinghe voir null ende van onwaerden gehouden, ende daerbovene d overtreders van dien arbitral[yk] gecorrigeert te worden.

Desen nochtans nijettegenstaende heeft belieft gehadt Willem Jans Obyn [is hij zo vrij geweest], hem seggende schout inden Oostveen aldaer, t doen maicken een brugge nevens die Oude Weteringe ende de santwerc ende om die costen ter cause  van dien gedaen heeft den zelven insgelycx belieft zekere omslach te maicken [heeft hij zich aangematigd om belastingen op te leggen], ende heeft dien volgende uuyt gemaent de pe[r]tie vande selven omslach zonder daertoe t hebben authorisatie vanden hove, ende zoe die placaeten van zyne ma[jestei[t] met zoodanige manieren vervolgt, vilipendeert [veracht, overtreedt] ende nyet onderhouden en sullen worden, ten zy dat hier inne en worde versien, wesende t voors[chreven] feyt, een feyt van quader consequentie, dat nyt en behoert ongestraft te blyven.

Daeromme bidt ende versoect de suppliant [de procureur generaal] appointement in marge van dese, uyt crachte vanden welcke den voorscreven Willem Janss. Obyn  [te dagvaarden om de strafeis die tegen hem wordt gedaan, aan te horen]. Een deurwaarder moet dit stuk bij de schout afleveren.  Ingediend door de procureur generaal op 3 januari 1564.]

 

[21 januari 1566] ‘Debath [verweerschrift] die d’heere mr. Johan van Weede als commissaris in deeser saicke gedelegeert overgegeven  uuyten naem en van weegen  Wilhem  Janss. Obyn, schout vande Oostveen verweerden […] tegens zeeckere  […]  libellen [smaadschriften] als te weesen [inzake] een requeste van d uijtsettinge van ongelden […] van beswaernisse ende doleantie myns heeren proost deecken ende capittelen  geexhibeert by Adriaen Aert […]

Omme  sommichlicken die voors[chreven […] libellen te debatteren [weerleggen, betwisten] ende eerst beroerende het poinct in die requeste aangetogen als te weeten dat die […] [hij de] eyschers gescholden soude hebben voor schelmen, seydt […] dat hy t selfde well expresselicken ontkent protesterende tegens die eyschers alhyer […]

 

AD