Het lager onderwijs in Maartensdijk vertoont tot in het begin van de negentiende eeuw het beeld van een typisch dorpsonderwijs in ons land: sterk verbonden met kerk en armenzorg, seizoensgebonden van karakter en nauw verweven met religieuze en maatschappelijke verhoudingen. Visitatieverslagen, financiële gegevens en statistieken over schoolbezoek en geletterdheid bieden een inkijkje in de ontwikkeling van het onderwijs in deze Utrechtse plattelandsgemeente. Hierboven: De schoolmeester (Bernardus van Schijndel 1670 – 1709 Rijksmuseum).

 

Meer informatie

De vroegste gegevens tonen dat het onderwijs in Maartensdijk nauw onder toezicht stond van kerkelijke autoriteiten. In 1593 werd tijdens een visitatie vastgesteld dat de schoolmeester een ’boos en ergelijk mens’ was. Enkele jaren later meldde een nieuw visitatierapport echter dat er sprake was van een goede koster en een goede schoolmeester.

De verwevenheid van onderwijs en kerk blijkt ook uit het feit dat schoolmeesters in 1619 de conclusies van de Nationale Synode van Dordrecht moesten ondertekenen. De Synode had de remonstrantse leer als ketters veroordeelde en legde de basis voor de Drie Formulieren van Enigheid. Op 14 september 1619 om 9 uur verscheen de schoolmeester van Maartensdijk samen met collega’s uit omliggende dorpen en ondertekende zonder aarzeling. Daaruit blijkt wel dat hij niet alleen onderwijzer, maar ook vertegenwoordiger van de gereformeerde leer was.

Seizoensgebonden onderwijs

Uit een visitatierapport uit 1663 blijkt dat de meester verklaarde in de zomer wel school te willen houden, “als er maar kinderen kwamen”. Dat impliceert dat er in de zomer feitelijk geen leerlingen aanwezig waren; een aanwijzing voor het sterk seizoensgebonden karakter van het onderwijs.

Het ontbreken van leerlingen in de zomer werd ook aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw nog vastgesteld. In de winter van 1799 telde de school 25 leerlingen; in 1811 waren dat er 30. In beide gevallen waren er ’s zomers geen kinderen.

Deze seizoensgebondenheid hing samen met het agrarische karakter van Maartensdijk. In de zomermaanden waren kinderen nodig bij het werk op het land. Onderwijs was ondergeschikt aan het economische voortbestaan van het gezin. De school was een winterschool.

Onderwijsinhoud en didactiek

In 1752 formuleerde de kerkenraad een minimumeis voor kinderen van armen die bedeling ontvingen: zij moesten naar school totdat zij goed in de Bijbel konden lezen en hun naam konden schrijven. Het onderwijs was dus primair gericht op religieuze geletterdheid en elementaire schrijfvaardigheid. Volledige alfabetisering was geen vanzelfsprekend doel; het kunnen lezen van de Schrift en het zetten van een handtekening volstond.

E.P. de Booy heeft nagegaan, hoeveel personen tussen 1811 en 1820 hun huwelijksakte zelf ondertekenden; een indicatie van schrijfvaardigheid. De cijfers voor Maartensdijk tonen duidelijke verschillen tussen protestanten en katholieken. Van de katholieke mannen ondertekende minder dan de helft zelf; bij de katholieke vrouwen was dat nog minder. Onder protestantse mannen en vrouwen lag het aandeel dat zelf kon ondertekenen aanzienlijk hoger. Dit verschil weerspiegelt waarschijnlijk de sterkere nadruk binnen de gereformeerde traditie op persoonlijke bijbellezing, wat directe stimulans gaf aan lees- en schrijfonderwijs.

De positie van de schoolmeester

De schoolmeester bekleedde een centrale, maar financieel bescheiden positie. In het midden van de achttiende eeuw ontving hij een basissalaris van 112 gulden per jaar. Daarnaast werd schoolgeld geheven: vier stuivers per maand voor lezen, zes stuivers voor schrijven en acht stuivers voor rekenen. Het onderwijs was dus modulair opgebouwd; lezen, schrijven en rekenen werden afzonderlijk betaald. Rekenen was het duurst en werd vermoedelijk minder algemeen gevolgd. Voor arme leerlingen werd het schoolgeld betaald uit de armenkas. Daarmee was het onderwijs gedeeltelijk ingebed in het stelsel van plaatselijke armenzorg.

De school was geen permanente instelling met een vast leerplan voor alle kinderen, maar een flexibele voorziening binnen een agrarische samenleving. Toch tonen de stijgende leerlingenaantallen rond 1800 en de groeiende differentiatie in het onderwijs dat het belang van scholing langzaam toenam. Maartensdijk vormt daarmee een representatief voorbeeld van de overgang van vroegmodern dorpsonderwijs naar het meer gestructureerde nationale onderwijsstelsel dat zich in de negentiende eeuw zou ontwikkelen.

DAB

 

Literatuur:

De Booy, E.P.,  De weldaet der scholen, het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de eeuw, Utrecht 1977.

Op deze site: De school en de schoolmeesters van Maartensdijk – Online Museum de Bilt

Doedens, A., Van onbesproken gedrag? Herders, leraren en onderwijzers in De Bilt, Maartensdijk en Westbroek in de zeventiende en achttiende eeuw, in: De Biltse Grift, juni 2004