In de Monumenta van Aernout van Buchel leest men, in hertaling,  de volgende tekst: “Christoffel of Albrecht Roest, gekozen op 9 maart 1565 was maar  negen maanden abt en is, naar de mening van Gijsbert Lap en Balthazar Blijenburg, door vergiftiging om het leven gebracht.” [Foto van de relevante originele tekst.]

 

Meer informatie:
[Voor meer over Van Buchel klik HIER.] Voor zijn benoeming tot abt was Roest verwikkeld geraakt in allerlei intriges. Roests voorganger, abt Van Baarn, had zich vóór zijn overlijden ingespannen om Roest als zijn opvolger aan te doen wijzen. Van Baarn had een beroerte gehad en was nauwelijks in staat om het klooster te besturen. Hij had hulp nodig van iemand die hem terzijde kon staan, en daarvoor leek Christoffel Albert Roest de aangewezen man, met de mogelijkheid van een abtspositie in het vooruitzicht.

Er kwam echter een kink in de kabel toen Roest weigerde te beloven om een zekere Ioannis ten Berch te helpen aan een positie als ontvanger van het klooster, voor het leven. Ten Berch eiste 500 gulden schadevergoeding als dit niet door zou gaan. Roest ging hier niet mee akkoord en stelde dat hij niet de bevoegdheid had om kloostergoederen of geld van het klooster toe te zeggen. Dit wekte de woede van Ten Berch, die Roest met alle middelen bij de zwakke abt Van Baarn wist te belasteren.

Verder slaagde hij erin om enkele Oostbroekse monniken tegen Roest op te zetten. (Roest was de kennelijk strenge begeleider van nieuw ingetreden, jonge monniken.) Ten Berch vroeg hen: “Weten jullie niet meer hoe […] [Roest] jullie behandelde, hoe streng en ruw hij met jullie omging, en hoe kort hij jullie hield? Wat denk je dat er gebeurt als zo iemand coadjutor [plaatsvervanger  en assistent van de abt] wordt?

Op deze manier wist Ten Berch de monniken en de abt ervan te overtuigen hun besluit over Roests benoeming terug te draaien. Ten Berch kreeg zelfs voor elkaar dat de abt Roest liet opsluiten. Dit gebeurde, zoals later bleek, niet alleen om de controle over het rentmeesterschap en het geld, maar ook om andere persoonlijke belangen.

Toen aartsbisschop Schenck van Toutenburg op de hoogte werd gesteld van de ongeregeldheden in klooster Oostbroek, stuurde hij een fors gezelschap gezagsdragers, dienaren en manschappen naar de kloosterpoort. Na drie sommaties werd men toegelaten, en met mankracht en geweld bevrijdde men Roest. Dit blijkt onder andere uit een verwonding aan de heup van een aartsbisschoppelijke dienaar door schiettuig.

Roest werd, met toestemming en op bevel van de aartsbisschop Schenk, ondergebracht bij de vicaris, Schencks vervanger. Abt Van Baarn liet het er echter niet bij zitten en liet op 13 maart 1565 officieel vastleggen dat hij de monnik Cornelis Anthonisz. van Utrecht tot prior en vervanger benoemde. Deze werd belast met de administratie en het bestuur van de abdij, aangezien Van Baarn “qua1yck ter spraecke is” (slecht uit zijn woorden kan komen door de genoemde beroerte). Verbetering van Van Baarns toestand was niet te verwachten.

Cornelis Anthonisz. werd de gedoodverfde kandidaat-abt en leider van de oppositie tegen Roest, gesteund door de kloostergemeenschap. In Brussel dacht landvoogdes Margaretha van Parma echter anders dan de monniken van Oostbroek. Op 19 juli 1565 werd aan de kloostergemeente meegedeeld dat het Roest was die, op bevel van koning Filips II en zijn vertegenwoordigster de landvoogdes, voorlopig waarnemer zou zijn voor de zieke abt Van Baarn. Het verzet tegen Roest hield echter aan. Na de dood van abt Van Baarn op 25 februari 1566 bleef Cornelis Anthonisz. proberen abt te worden. Tevergeefs. Brussel stelde Roest uiteindelijk aan als abt, omdat hij de man was die had geweigerd mee te werken aan onoorbare praktijken.

Gezien het bovenstaande lijkt wraakneming door een van degenen die zich tegen Roest als abt verzetten niet onlogisch. Dit zou de vergiftiging die Van Buchel signaleerde kunnen verklaren. Roest zou nog geen jaar abt zijn.

AD

 

Literatuur:

M.P. van Buijtenen en A.K. de Meijer, Herfsttij over Oostbroeks Abdij (Zeist 1990).