De in de Republiek teruggekeerde Adriaan Hendrik Eyck, die als burgemeester van Utrecht in september 1787 had moeten vluchten, keerde begin 1795 weer terug in het centrum van de macht in Utrecht, nadat hij ook Eyckenstein weer in handen had gekregen. [C. Hoevenaar, ‘Gezicht op de Neude te Utrecht met de vrijheidsboom bij de viering van de overwinning van de Franse troepen.’ Utrechts Archief, nr. 32452.]
Eyck was zijn landgoed en buitenplaats in 1787 kwijtgeraakt. (Klik daarvoor HIER.) Op 4 maart 1795 was in Maartensdijk een vrijheidsboom geplant, waarbij zijn zoon Maurits de dorpelingen had toegesproken (klik daarvoor HIER). Ruim drie maanden later zou zijn vader datvoor de inwoners van de stad Utrecht doen.
Utrecht kreeg bij de Bataafse Revolutie weliswaar nieuwe politieke instellingen, maar de leiding bleef in handen van een relatief kleine kring, ditmaal van vooraanstaande Utrechtse patriotten. Vooral Eyck treedt daarbij naar voren als een van de belangrijkste gezichten van het nieuwe bewind, terwijl de bewoner van Persijn, Van Hengst, een kleinere rol speelde.
Eyck verschijnt op 30 maart 1795 als vertegenwoordiger van het Nederkwartier in de Landschapsvergadering. Een dag later wordt hij aangewezen om zitting te nemen in het Provinciaal Hof, nadat de leden daarvan de eed op de nieuwe constitutie hebben afgelegd. Op 13 april wordt hij lid van de Raad van Rechtspleging en van de Utrechtse gemeenteraad. Tijdens de plechtige installatie van de nieuwe bestuursorganen op 4 mei spreekt hij namens de gemeenteraad het officiële dankwoord uit, waarmee hij ook ceremonieel een prominente plaats inneemt.
Eycks politieke betekenis wordt nog duidelijker tijdens het grote Vrijheidsfeest van 15 juni. Dan treedt hij inmiddels op als maire of burgemeester van Utrecht en houdt hij de feestrede over de betekenis van de Bataafse Revolutie. Volgens de Utrechtse apotheker Hendrik Keetell sprak hij “met veel geestdrift” op deze “Vrijheidsdag” bij de Utrechtse vrijheidsboom over de symbolische betekenis daarvan en over de zegeningen van de vrede en de alliantie met Frankrijk. Hij besloot met een oproep aan de verzamelde menigte dat “nu alle heerszucht ten volle paal en perk gesteld was, alle tekenen en bewijzen daarvan moesten worden vernietigd.” Onmiddellijk daarop werden “de wapens, kronen en hetgeen verder op de kar lag” naast de vrijheidsboom verbrand. Eyck trad hierbij op als de publieke woordvoerder van de nieuwe Bataafse orde. Overigens waren uit de kerken al alle tekenen van ‘aristocratie’ en standsverschil verwijderd, iets dat in een aantal gevallen met grof geweld gepaard ging.
Dat Eyck door tijdgenoten als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het nieuwe regime werd gezien, blijkt nog eens uit de gebeurtenissen van 19 september 1795. Juist zijn Utrechtse huis werd door orangisten met verf besmeurd; op de deuren werd “Vivat Oranje!” geschreven en de ruiten werden ingegooid. In Maartensdijk bleef het echter rustig.
AD
Bron:
‘Aanteekeningen over de Bat[aafsche]. Omwenteling, voornamelijk binnen Utrecht, door een ooggetuige.’ In: De Navorscher, jg. 44, nieuwe serie, jg. 27 (Nijmegen 1894).
Zie over de schrijver en het manuscript, de Utrechtse apotheker Hendrik Keettell: De Bruin, R.E., ‘Revolutieverslag op receptenpapiertjes.
Het dagverhaal van Hendrik Keetell, 1793–1816’, in: M. van Egmond, B. Jaski en H. Mulder (red.), Bijzonder onderzoek. Een ontdekkingsreis door de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Utrecht (Utrecht 2009) p. 72–77.