In 1125, drie jaar na de schenking van Mathilde, stelde Godebald, bisschop van Utrecht, een tweede oorkonde voor het klooster van Oostbroek op. Ook in deze oorkonde wordt het gebied van Oostbroek met het aangrenzende veengebied genoemd. (Het zegel van bisschop Godebald. Bron: Canon van Nederland.)

 

Meer informatie

Godebald droeg het gebied en de daarbij behorende rechten aan het klooster over. In de tekst worden onder meer het grondbezit, de cijns, de grote en kleine tienden en rechten op de rechtspraak genoemd. Ook de woeste gronden die bij het gebied hoorden, worden vermeld. De inhoud van de oorkonde vertoont daardoor duidelijke overeenkomsten met de schenking van Mathilde uit 1122, hoewel in de oorkonde van 1125  Mathilde en Hendrik V niet worden genoemd. Voor de Latijnse tekst van deze oorkonde klik men aan: De latijnse tekst van de oorkonde van 1125

 

De vertaling luidt:

In de naam van de heilige en ondeelbare Drie-eenheid. Ik, Godebald, door de barmhartigheid van God bisschop van de Kerk van Utrecht, wens alle gelovigen na de inspanning van dit aardse leven de beloning van hemelse vreugden toe.

Wij willen u bekendmaken dat enkele ridders, namelijk Hermannus, en Theodericus alsmede vele anderen, aangestoken door de kracht van de Heilige Geest, afstand hebben gedaan van hun ridderlijke levenswijze en hun leven ten goede veranderden. Zij kozen een afgelegen plaats in het moeras, dat van oudsher Oostbroek werd genoemd, en bouwden daar een kerk [stichtten daar een klooster] ter ere van de heilige Maria, de Moeder van God en de zalige Laurentius.

Wij hebben hun goede voornemen door Gods genade goedgekeurd en hebben, in vrome zorg voor het toekomstige heil van onze ziel, hetzelfde moeras dat Oostbroek wordt genoemd, samen met het aangrenzende land, namelijk de Vene [het veen], aan die kerk geschonken. Daarbij behoren de eigendomsrechten, cijnzen, grote en kleine tienden en alle daaraan verbonden andere rechten en bezittingen, zowel ontgonnen als onontgonnen land, rechtsbevoegdheden, reeds verworven en nog te verwerven goederen, weiden, weilanden, akkers, bossen en roerende en onroerende goederen. Dit alles hebben wij vrij en rechtmatig aan die kerk overgedragen.

Bovendien willen wij, met het oog op de toekomstige regeling van hun zaken en met het verlangen hen in alles op verstandige wijze bij te staan, aan een verzoek van hen voldoen overeenkomstig de bepalingen van het kerkelijk recht.

Daarom bepalen wij onherroepelijk dat de abt [van hun klooster] vrijelijk door hen, volgens de kerkelijke regels, zal worden gekozen. Niemand mag dit ambt op een andere manier verkrijgen.  Wie tot dit ambt wordt geroepen, moet, gaande door de poort van Jezus Christus [als goed Christen]  zijn ambt kunnen aanvaarden, zonder dat iemand dit verhindert of tegenspreekt.

Omdat de aanwezigheid of de wil van een bisschop vaak de vrijheid van een verkiezing kan belemmeren, bepalen wij, om dit te voorkomen, dat het convent bij afwezigheid van de bisschop volgens zijn eigen regel een geschikte persoon tot abt mag kiezen, een man die niet aan ondeugden toegeeft. De gekozen persoon moet vervolgens aan de bisschop worden voorgesteld om gewijd of bevestigd te worden.

De gekozen persoon moet bovendien zodanig zijn, dat het convent, wanneer het in aanwezigheid van de bisschop daarover wordt ondervraagd, in gehoorzaamheid en naar geweten kan bevestigen dat het menselijkerwijs niemand onder zijn leden heeft kunnen vinden die geschikter is.

Omdat wij zien dat veel kloosters achteruit zijn gegaan door toedoen van personen die kerkelijke of wereldlijke goederen in leen bezitten, bepalen wij, met instemming van de abt op straffe van verlies van diens ambt en op verzoek van de broeders, dat geen abt het moet wagen om goederen van de kloostergemeenschap of uit zijn eigen kas in leen weg te geven.

De abt moet om zijn ambt te kunnen uitoefenen kunnen beschikken over de diensten van de conversen en de broeders van de kloostergemeenschap,  alsmede over andere geschikte personen, in overeenstemming met de plaatsen, tijden en gewoonten die gelden voor het kloosterleven. Daarnaast moet hij kunnen beschikken over de middelen van de kloostergemeenschap, om daarmee te kunnen voldoen aan de eis tot naastenliefde en gastvrijheid jegens hen die gebrek lijden. Met deze middelen moet hij ook de belangen van zijn klooster en  van de broeders in de wijde omgeving kunnen behartigen.

Aan al het bovenstaande voegen wij, uit vrees voor God, nog het volgende noodzakelijke voorschrift toe. Omdat deze kloostergemeenschap nog maar pas bestaat en arm is, bepalen wij dat allen die er deel van uitmaken, van welke stand of hoedanigheid zij ook zijn, voor zover het van ons afhangt, in vrede en rust over hun eigen persoon en goederen zullen kunnen beschikken. Van hen zal op grond van bisschoppelijke macht geen heffing of vordering worden geëist en geen verplichte dienst of deelname aan een militaire onderneming worden opgelegd. Zij zullen vrij hun heer, de abt, en de kloostergemeenschap dienen, aan wie zij de diensten verschuldigd zijn.

En opdat dit alles ook ten tijde van onze opvolgers en hun opvolgers daarna volledig van kracht zal blijven, hebben wij deze oorkonde met de afdruk van ons zegel bekrachtigd, in aanwezigheid van de hieronder vermelde bevoegde getuigen.

Philippus, kanselier; Meyngotus van Sint-Maarten; Hermannus, proost van Sint-Jan; Licardus, proost; Otto, deken; Luso, deken; Wychardus, deken; Ryquyn van Malberga; Goedefridus van Reni; Arnoldus, kastelein; en Ghyselbertus.

Wie het echter zou wagen op enigerlei wijze aan onze vrome beschikking tegenstand te bieden en zo vermetel is dat hij zich daartegen verzet, die wete dat hij onherroepelijk de ban van de excommunicatie over zich afroept, en uitgesloten zal zijn van het koninkrijk Gods.

Gegeven in het jaar 1125 na de menswording van de Heer, in het zevenentwintigste jaar van de regering van heer koning Hendrik, in het twaalfde jaar van ons episcopaat,  en in de derde jaar van de indictie voltooid en tot een goed ende gebracht

Gezien door Henricus van Boeckhoudt, prior van het klooster van Sint-Paulus te Utrecht, van de orde van Sint-Benedictus, in het jaar des Heren 1346, op de dag van de apostel Jacobus.

Klik voor de volgende post over oorkonden van het Biltse klooster Oostbroek HIER.

 AD

 

Bron:

Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, uitgegeven door het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, Tweede Serie, deel IV, tweede afdeeling (Utrecht 1857) pp.5vv.