In 1133 schonk Andreas, bisschop van Utrecht, het land Hengescoten, het latere Henschoten bij Woudenberg, aan de broeders van Nova Bethlehem, dat wil zeggen het klooster Oostbroek. [Utrechts Archief,  Catalogusnummer 203108 . Deel van een kaart van de provincie Utrecht, 1640-1660.]

 

Meer informatie

De schenking was bedoeld om de broeders, die volgens de bisschop zwaar werk verrichtten en in armoedige omstandigheden leefden, te ondersteunen. Het land werd vrijgesteld van tienden, cijns en iedere andere heffing. Daarnaast kregen de broeders rechten in de omliggende weiden en in het bos dat in de oorkonde Westerwolt wordt genoemd. De naam Westerwolt, letterlijk „westelijk woud”, verwijst waarschijnlijk naar een omvangrijk bos- en ontginningsgebied in de omgeving van het huidige Woudenberg.

In de twaalfde eeuw was een groot deel van het gebied nog bedekt met bos of bestond het uit woeste grond. Vanuit dergelijke gebieden werden geleidelijk nieuwe landbouwgronden ontgonnen. Henschoten vormde een van de plaatsen waar deze ontwikkeling zichtbaar wordt.

Dat het Westerwolt niet alleen uit bos bestond, blijkt ook uit een latere oorkonde uit 1200. Daarin worden opnieuw Hengescoeten en het Westerwolt genoemd en is sprake van grond die nog ontgonnen moest worden. Het landschap veranderde daardoor geleidelijk van een uitgestrekt woudgebied in een gebied met akkers, weiden, landgoederen en nederzettingen.

Andreas van Cuijk werd omstreeks 1070 geboren en was van 1128 tot 1139 bisschop van Utrecht. Hij stamde uit het adellijke geslacht Van Cuijk en bekleedde vóór zijn bisschopsverkiezing verschillende kerkelijke functies, onder meer in Luik en Emmerik. Zijn verkiezing tot bisschop vond plaats enkele jaren na het Concordaat van Worms van 1122, dat de verhouding tussen de paus en de keizer bij de benoeming van bisschoppen ingrijpend veranderde. Andreas was de eerste Utrechtse bisschop die na het Concordaat door het domkapittel werd gekozen, in plaats van rechtstreeks door de keizer te worden aangesteld.

Als bisschop was Andreas actief betrokken bij het beheer en de uitbreiding van kerkelijke bezittingen en bij het in exploitatie nemen van nieuwe terreinen. Zo speelde hij een rol bij de ontginning van gebied bij Hoevelaken en bij de ontwikkeling van andere gebieden ten oosten van Utrecht. De oorkonden uit zijn episcopaat laten zien dat Andreas een belangrijke rol speelde bij de uitbreiding van kerkelijk grondbezit en de ontginning van nieuwe gebieden. Andreas overleed op 23 juni 1139.

De hertaling uit het Latijn luidt:

Het gebied Henschouten (bij Woudenberg), 1133

In de naam van de heilige en ongedeelde Drie-eenheid.

Aan alle gelovigen van Christus, zowel aan hen die nu leven als aan hen die na ons zullen komen, zij bekend dat ik, Andreas, door Gods genade de nederige dienaar van de Utrechtse kerk, uit medelijden met de armoede van de broeders die in Nova Bethlehem verblijven, hun land heb geschonken. Ik zag hoe zij onder hun zware arbeid gebukt gingen en hun bestaan daardoor werd bemoeilijkt. Omdat ik hun geringe middelen naar mijn vermogen wilde versterken, heb ik hun een stuk land overgedragen, met zowel fruit- als andere bomen, dat Hengescoten [Henschoten] wordt genoemd.

Dit land heb ik vrijgesteld van tienden, cijns en iedere andere heffing. Ook heb ik hun toegestaan en geschonken dat zij op dit land, naar verhouding van de omvang ervan, dezelfde rechten van werscap [ aandeel of recht op bepaalde gemeenschappelijke gronden/goederen]  zullen hebben als de omliggende gronden. Deze rechten gelden zowel voor de weiden als voor het bos dat Westerwolt wordt genoemd.

Moge God onze stormen tot rust brengen [onze moeilijkheden wegnemen] en ons naar de veilige haven van zijn vreugde [een veilige en goede bestemming] leiden, want Hij is rijk aan barmhartigheid.

Gegeven in het jaar van de menswording van onze Heer 1133, in het vierde jaar van mijn episcopaat en in de negende indictie, in aanwezigheid van de volgende getuigen:

Harbertus, proost; de dekens Lubbertus, Wichardus en Arnoldus, alsmede de leken Arnoldus, kastelein, Alferus, Wicherus en Ghijsselbertus, samen met vele anderen, onder de heerschappij van de Koning der eeuwen.

Wij hebben deze oorkonde gezien door toedoen van Hendrik, abt van de Sint-Paulusabdij te Utrecht, in het jaar 1347, op de dinsdag na het feest van de Heilige Drie-eenheid. [29 mei 1347 volgens de Juliaanse kalender, 6 juni 1347 volgens de huidige kalender.]’

Voor de originele tekst in het Latijn klik men aan: De tekst van de oorkonde van 1133 in het Latijn

 

AD

 

Bron: De Geer, J. J. de, ‘Oorkonden betrekkelijk tot de abdij van St. Laurentius en het vrouwenklooster te Oostbroek. De Vroucloister’, in: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, Tweede serie, vierde deel, tweede afdeeling (Utrecht 1860) pp. 7v.