In het midden van de achttiende eeuw had Westbroek een Duitse predikant. Jacob Cornelius (1719-1772). Van hem zijn een paar theologische traktaten overgeleverd. [Een 18e-eeuwse Duitse predikant, collega van Cornelius: dominee Schubert. Christian Friedrich Fritzsch, 1772 – 1780. Rijksmuseum Amsterdam.]

 

Meer informatie

 

In het Biografisch Woordenboek der Nederlanden van het jaar 1800 leest men over Jacob Cornelius (hertaald):

‘Jacob Cornelius werd geboren in Bremen op 25 juni 1719, als zoon van vooraanstaande ouders. Zijn vader was een aanzienlijk koopman in die stad; zijn moeder was Anna Alardin. In zijn geboortestad voltooide hij de Latijnse school. Vervolgens legde hij zich enige tijd met grote ijver toe op de voorbereidende wetenschappen aan het plaatselijke gymnasium. Daarna vertrok hij naar de universiteit van Marburg. Na daar enige tijd te hebben gestudeerd, ging hij naar Utrecht om onderwijs te volgen bij de hoogleraren Hieronymus van Alphen, David Mill, Albert Voget en anderen.

In 1738 werd hij proponent in de classis Amsterdam. In 1741 werd hij beroepen tot predikant te Wamel en Dreumel, ressorterend onder de classis Nijmegen. Nadat hij daar vier jaar lang met toewijding zijn ambt had vervuld, werd hij beroepen naar Westbroek en Achttienhoven. Daar diende hij met veel ijver en tot grote stichting van de gemeente, tot het jaar 1761. In die tijd werd hij voortdurend geplaagd door pijnlijke aandoeningen, namelijk jicht en niersteen. Die putten hem uit en kluisterden hem aan zijn ziekbed. Derhalve besloot hij zijn ambt neer te leggen en zijn verdere dagen in rust in de stad Utrecht te sluiten. Daar overleed hij op 22 oktober 1772. Hij liet de reputatie na van een man met oprechte godsvrucht, een scherp en helder oordeel, een eerlijk en edelmoedig karakter, een man die zich door zijn vriendelijkheid geliefd wist te maken.

Op 11 mei 1751 trad hij in het huwelijk met J.A. Steenwinkel, een dochter van Diederik Steenwinkel, die hoogleraar en predikant in ’s-Hertogenbosch was geweest. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, van wie één dochter nog in leven was; zij was gehuwd met de heer Drieling.

Tijdens zijn emeritaat heeft hij zich nog met schrijven beziggehouden. Van hem verscheen in druk: Enige overdenkingen over het uitstel van Christus’ komst in de wereld en over de woorden van Psalm II vers 7, en over het bidden van het Onze Vader; benevens enige praktische leerredenen over Psalm XLII vers 12 en over de bekeerde zondares volgens Lukas VII vers 36–47 (Utrecht, 1768). ‘Dit werkje, dat door velen met genoegen en tot stichting werd gelezen, heeft de schrijver enige tijd later nog uitgebreid met een vervolg van nuttige overdenkingen.’

 

Wie kennis wil nemen van deze publicatie klikke aan: Overdenkingen van ds. Cornelius.

 

Bron: J.A. de Chalmot,  Biografisch Woordenboek der Nederlanden, dl VII (Amsterdam 1800) 317v.

 

AD