Hier ziet met beelden uit de Heilig Grafkapel van Vrouwenklooster. Het is het werk van een onbekende maker van een grafleggingsgroep met drie heilige vrouwen (Maria, Maria Magdalena en Maria Cleophas). Verder ziet men de hoofden van de apostel Johannes en van Jozef van Arimathea of Nicodemus.

 

Meer informatie

Het werk stamt uit het jaar 1494. De  beeldengroep is van Baumberger kalksteen en heeft sporen van polychromie. (Collectie Centraal Museum, Utrecht; schenking 1898. Beeld en copyrights Centraal Museum, Utrecht /Ernst Moritz.)

Bekend is dat er sinds 1494 een model van het Heilig Graf aanwezig was de abdijkerk, met tenminste vijf beeldjes van een graflegging. Ongetwijfeld speelden deze altaren een rol in het devotionele leven van het klooster. We lezen in de kroniek van Henrica van Erp:

Joffer Maria Gruyters, onze priorin, liet in 1494 het Heilig Graf maken. Het werd ingewijd door wijbisschop Jan van Riet.

Het werk werd echter in 1528 vernield, maar de resten werden dus bij Oostbroek teruggevonden. Die vernieling moet traumatisch zijn geweest voor de joffers van Vrouwenklooster. Het klooster werd toen het slachtoffer van Hollandse gewelddaden in de strijd tegen de Utrechtse bisschop Hendrik van Beieren. In datzelfde jaar hield het bisdom Utrecht op als zelfstandige staat te bestaan. We lezen in Henrica van Erps kroniek over de rampspoed die Vrouwenklooster en met name het Heilig Graf trof:

‘Op de dag na Sint Servaas [14 mei] kwam heer Jan van Belresum hier met alle soldaten die op de dag voor Pasen [14 april] naar de Vaart [Vreeswijk/Jutphaas] waren getrokken in opdracht van de Hollanders. Zij verbrandden onze windmolen en ze braken onze kerk aan beide kanten open en ze sloegen het raam aan de bovenzijde van het Heilige Graf er uit en sloegen dat [graf] aan stukken. Ook werd een ijzeren tralie in [een venster van] de zaal van het huis van de abdis uitgebroken. Daardoor kropen zij naar binnen. Zij namen [ook] onze 22 bedden en alles wat we hadden en plunderden ons klooster zo, dat er zelfs geen pot was achtergebleven ‘om een spreeuwtje in te [kunnen] koken’. Ze grepen onze knechten en namen al onze beesten. Men sloeg hier in het klooster 148 ramen kapot, nog afgezien van de ramen die ze [buiten het kloostergebouw] in het kloosterhof kapot sloegen.

Toen liet de veldheer Jan van Belresum mij halen en vroeg mij voor onze kerk of de soldaten het Heilige Sacrament ook aangeraakt hadden of onze kelken [voor de miswijn] hadden genomen. Toen zei ik: ‘nee’. Ik deed daarna fors mijn beklag over de aan ons toegebrachte grote en verderfelijke schade. Wij waren immers inwoners van het land van [onze] Heer [de bisschop van Utrecht] en we hadden niemand te kort gedaan. Toen beval de genoemde veldheer mij om hem een dienaar achterna te zenden, aan wie hij mee terug kon geven wat hij maar van onze bezittingen terug kon vinden.

Hieronder is een afbeelding opgenomen met de contouren van Vrouwenklooster, in het gebied dat nu Kloosterpark heet.

AD

U bevindt u op de Rondleiding over de kloosters in De Bilt. Voor het vervolg klik HIER

 

Bron: Anne Doedens en Henk van Looijestein (ed.), De Kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster (Hilversum 2010).