In de vijftiende eeuw vonden binnen de katholieke kerk verschillende hervormingen van het kloosterleven plaats. Daarbij stond vooral een striktere naleving van de kloosterregels centraal. Er was ‘observantie’ nodig: het daadwerkelijk onderhouden van de regel en de voorschriften die voor de Benedictijnse kloostergemeenschappen als die van Oostbroek en Vrouwenklooster golden. Door ‘visitatie’ werd daarop gecontroleerd: een officieel bezoek waarbij werd toegezien op de naleving van deze regels. Twee specifieke akten uit 1451 en 1480 laten zien dat Oostbroek een klooster was waar de regels werden nageleefd, terwijl dat in Vrouwenklooster kennelijk niet het geval was. [Links: Carlo Criveli, 1473: Benedictus. Kathedraal Ascoli Piceno. Rechts: AndreaMantegna, 1453: Scholastica, de veronderstelde tweelingzus van Benedictus. Pinacoteca di Brera.

Meer informatie

In een akte uit 1451 droeg Nicolaas van Cusa de abt van Oostbroek op ervoor te zorgen dat de monniken en de onder het uiteindelijke gezag van Oostbroek vallende zusters van Vrouwenklooster volgens de regel van Benedictus leven. Nicolaas van Cusa (Nicolaus Cusanus, 1401–1464) was theoloog, kerkjurist, filosoof en kardinaal. In 1450 werd hij door paus Nicolaas V aangesteld als pauselijk legaat, dus als vertegenwoordiger van de paus met een bijzondere opdracht. Tijdens zijn reis door de Nederlanden in 1451 hield hij zich, zoals uit de stukken blijkt, ook bezig met de hervorming van kloosters als Oostbroek en Vrouwenklooster.

De kloosterlingen van Oostbroek en Vrouwenklooster moesten binnen de clausuur blijven, geen persoonlijke bezittingen hebben en gemeenschappelijk leven: samen eten, slapen en zich kleden. Gebouwen en kamers die de naleving van de regels in de weg stonden, moesten worden afgebroken en vervangen door geschikte woonruimten die het verkeer met de buitenwereld beperken. De clausuur hield in dat de religieuzen binnen het klooster moesten blijven en zich aan de daarvoor geldende regels moesten houden. De abt moest erop toezien dat deze voorschriften werden nageleefd en verslag uitbrengen aan Cusa.

Het lijkt erop dat daar, gelet op de oorkonde van 1451, het een en ander aan mankeerde en dat in de kloosters zaken voorvielen die moesten worden aangepakt, zoals het hebben van persoonlijke bezittingen en eigen inkomsten en het hebben van ongeoorloofde contacten met de buitenwereld.

De akte van 1480

De abdij van Oostbroek zou zich in 1469 aansluiten bij de hervormingsgezinde Benedictijner abdijen van de congregatie van Bursfeld. Onbekend is hoe de adellijke nonnen van Vrouwenklooster reageerden op het aanpakken van hun vermoedelijk luxe levensstijl. Dat deden hun eveneens adellijke collegae in het klooster Oudwijk wel. Die kregen hun familieleden zo ver dat ze een protestmars hielden naar het bisschoppelijk paleis in Utrecht. Er zijn echter aanwijzingen dat het in Vrouwenklooster anders toeging dan in Oudwijk. De oorkonde van 1480 laat zien dat Oostbroek het geestelijk toezicht op het Godelieve vrouwenklooster in het Vlaamse Gistel kreeg opgedragen, met als doel dat klooster te hervormen. Het was een jaar later juist Vrouwenklooster dat in 1481 uit de eigen gelederen de abdis voor dit klooster, Catharina van der Maere, leverde.

In de akte van 1480 verklaren de abdis en het convent van Sint-Godelieve bij Gistel dat zij een fraterniteit aangaan met Oostbroek. Met een akte van fraterniteit werd een formele afspraak voor geestelijke samenwerking van twee kloostergemeenschappen vastgelegd. Het Vlaamse convent wilde leven volgens de regel en de observantie die in Oostbroek worden gevolgd en stond visitatie vanuit Oostbroek toe. Ook spraken zij af elkaar in gebeden en diensten te gedenken en wilde men in Gistel een geprofeste monnik uit Oostbroek (een monnik die zijn kloostergelofte had afgelegd) of een andere gemeenschap van dezelfde observantie als biechtvader kunnen ontvangen. Klik voor de originele tekst en de vertaling van de twee akten aan: Twee akten over het verval van Vrouwenklooster – – 1451 en 1480

AD

Bron: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, uitgegeven door het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, tweede serie, vierde deel, ‘in twee afdeelingen, eerste afdeeling’ (Utrecht 1857), pp. 65–68.

Literatuur: Anne Doedens en Henk Looijesteijn, eds., De kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster (Hilversum 2010), p. 44.