In 1277 ontstond een conflict tussen de Sint-Laurensabdij van Oostbroek en het nabijgelegen Vrouwenklooster over het gebruik van een gemeenschappelijk veengebied. Dankzij de uitspraak van een scheidsrechter weten we vandaag verrassend veel over de manier waarop de eerste Biltenaren en de kloosters met het veen omgingen. Tekening: Turfsteken Anonieme gravure (1611–1613) naar Claes Jansz. Visscher.

 

Meer informatie

In de Middeleeuwen werd turf de belangrijkste brandstof. Hout werd steeds schaarser en daardoor nam de waarde van turf toe.

Het veengebied ten oosten en noorden van Utrecht was rijk aan deze brandstof. Al in de stichtingsoorkonde van de Sint-Laurensabdij uit 1122 wordt het omliggende veen genoemd. Of er toen al turf werd gestoken weten we niet zeker, maar in 1277 is dat onmiskenbaar het geval.

Alleen voor eigen gebruik

De aanleiding voor het conflict was eenvoudig. Beide kloosters maakten gebruik van hetzelfde veengebied en wilden daar turf steken. De arbitrage bepaalde dat het veen gemeenschappelijk bezit bleef, maar dat de turf uitsluitend mocht worden gebruikt voor de eigen huishouding van de beide kloosters.

Verkoop was verboden. Turf mocht ook niet worden weggegeven en zelfs de arbeiders die het veen afgroeven, mochten hun loon niet in turf ontvangen. Alleen wanneer een klooster elders eigen veengrond bezat, bijvoorbeeld door aankoop of schenking, mocht de turf daarvan wel worden verkocht.

Zorgvuldig omgaan met het veen

Opvallend is hoeveel aandacht de regeling besteedt aan zorgvuldig beheer van het landschap. Beide kloosters kregen een eigen turfbank toegewezen: een afgebakend deel van het veen waar zij mochten graven. Daarbij mochten zij niet alleen de beste turf winnen. In het veen kwamen zowel zwarte als witte turf voor. Zwarte turf gaf meer warmte en was daarom gewilder. Toch moesten beide soorten worden afgegraven; anders zou alleen de beste turf verdwijnen en bleef een rommelig en moeilijk bruikbaar landschap achter.

Ook de maximale oppervlakte die mocht worden afgegraven, werd nauwkeurig vastgelegd. Al in de dertiende eeuw besefte men dat verstandig beheer noodzakelijk was om het veengebied ook voor toekomstige generaties bruikbaar te houden.

Ook de inwoners van De Bilt profiteerden

Voor de geschiedenis van De Bilt is één bepaling bijzonder interessant. De bewoners van de nederzetting bij de Sint-Laurensabdij behielden het recht om turf te steken op een eigen turfbank die de abt hun eerder had toegewezen. Ook zij mochten de turf alleen voor eigen gebruik winnen.

Ook de inwoners van het jonge De Bilt verwarmden hun huizen met turf uit de directe omgeving. In ruil daarvoor verrichtten zij diensten voor de abdij, zoals dat in de Middeleeuwen gebruikelijk was.

Een vroege vorm van duurzaam beheer

De uitspraak uit 1277 laat zien dat turfwinning in het Sticht Utrecht al goed georganiseerd was. In de eeuwen daarna nam de turfwinning sterk toe. Vooral in de veengebieden ten noorden van Utrecht groeide zij uit tot een belangrijke economische activiteit. Toch bleef men nog lange tijd proberen, het land na de afgraving geschikt te houden voor landbouw. Pas in de zestiende eeuw veranderde dat en raakten de gemakkelijk winbare veenvoorraden uitgeput.

De oorkonde van 1277 vormt het oudste tastbare bewijs dat turfwinning al meer dan 750 jaar geleden een belangrijk onderdeel was van het dagelijks leven in onze omgeving. Bovendien laat hij zien dat zorgvuldig omgaan met natuur en grondstoffen geen moderne uitvinding is, maar al in de Middeleeuwen serieus werd genomen. Er werd niet alleen gekeken naar de opbrengst van dat moment, maar ook naar de toekomst van het landschap. Men wilde voorkomen dat het veen door roofbouw verloren ging.

DAB

 

Literatuur:

Muller Fz., S. e.a (red.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 IV nr. 1941 (1277 juni 18) en  1943.

Buitelaar, A.L.P.,  Turfwinning in het Nedersticht vóór 1530, beheerst gebruik van onontgonnen veen, in: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 5 (1996); webversie 2006.