De runder- of veepest was een virusziekte die leidde tot ontstekingen aan de slijmvliezen in mond en ogen, keel en ingewanden. In Nederland stierven in de jaren 1865 tot 1868 ongeveer 115.000 dieren aan deze ziekte. Ook in Maartensdijk was de sterfte groot. De tekening toont het begraven van gestorven dieren.

 

Meer informatie

Om de uitbraak, die vooral in Zuid Holland, Noord Holland ten zuiden van ’t IJ en in het westelijk deel van Utrecht woedde, in te perken, stelde de regering vanaf oktober 1865 een cordon sanitaire in. Voor de controle zette zij het leger in. Het ging om enkele duizenden manschappen. Conflicten met de plaatselijke bevolking kwamen regelmatig voor vanwege het stiekem slachten van ziek vee, het smokkelen van dieren en het verzet tegen het preventief doden van zieke dieren. Preventief ruimen kwam vooral rond april-mei 1867 vaker voor. Dit riep veel verzet op met vaak een religieuze achtergrond.

Het dieptepunt lag einde 1866. In Achttienhoven stierven in november-december 1866, toen het vee op stal stond, alleen al 394 runderen op een jaartotaal van 784 gestorven dieren. In Maartensdijk ging het in die maanden om 158 koeien en in Westbroek om 312 dieren.

In Maartensdijk besloot de gemeenteraad op 4 september 1865 na informatie vanuit Den Haag en Utrecht om alle mogelijke voorzorgen te nemen tot wering der ziekte, doch niet toe te stemmen in het plotseling af te maken van het door die ziekte aangetast wordende vee. Dat dit om religieuze redenen niet zou mogen, werd niet vermeld.

Wel lezen we in sommige notulen de namen van boeren van wie het bedrijf getroffen werd. Het waren A. van Vulpen, H. Westeneng, C. Floor, W. Vosselaer, M.A. van Niekerk en W. Vossestein. G. Verbeek kreeg een boete wegens het overtreden van regels.

Lastig was het begraven van dode dieren op eigen grond. Nogal eens was de stand van het grondwater veel te hoog. Een ander punt was dat voor de ontsmetting zeer agressieve stoffen waren voorgeschreven en het gebruik daarvan was niet zonder gevaar voor de boeren zelf. De veearts J.C. Hoogland was in Maartensdijk belast met het toezicht. Hij stelde vast of er sprake van veepest was, besliste over het preventief doden van vee en hield toezicht op alle verdere voorschriften van het begraven en het reinigen van stallen.

In het voorjaar van 1867 was het ergste voorbij. Het vee mocht weer ‘in kleine koppels’ in de weide.

PvH

 

Literatuur:

W.C.H. Staring, Runderpest in Nederland. Amsterdam 1866.

Ronald van der Wal, Militaire bijstand bij de handhaving en het herstel van de openbare orde 1840-1920. Dissertatie Utrecht 2002.

Verslag over den toestand der Provincie Utrecht, 1865 en idem 1866 in: Het Utrechts Archief.

Gemeenteverslagen en notulen over de jaren 1865-1867 van gemeenteraadsvergaderingen van De Bilt, Maartensdijk en Westbroek-Achttienhoven: in Regionaal Historisch Centrum ‘Vecht en Venen’ te Breukelen.

G.J. Hooykaas e.a., Briefwisseling van J.R. Thorbecke, dl. VII, 1862-1872. Den Haag 2002, p. 121-122.

  1. Offringa, Van Gildestein naar Uithof , 150 jaar diergeneeskundig onderwijs. Utrecht 1971.