
De geschiedenis van het lager onderwijs in Westbroek is nauw verbonden met de personen die het onderwijs verzorgden. De schoolmeesters van het dorp vervulden niet alleen een onderwijzende taak, maar waren ook betrokken bij kerkelijke, bestuurlijke en soms zelfs economische activiteiten binnen de gemeenschap.
Meer informatie
Bij de benoeming van de schoolmeester in Westbroek had aanvankelijk de kerkenraad een belangrijke stem, maar geleidelijk verschoof de invloed naar de ambachtsheer. Westbroek viel al sinds de middeleeuwen onder dezelfde ambachtsheer als het naburige Zuilen. In de zeventiende eeuw kwamen beide heerlijkheden in handen van de adellijke familie Van Tuyll van Serooskerken, die als heren van Zuilen en Westbroek invloed had op de aanstelling van de schoolmeester.
Taken en werkzaamheden
De schoolmeester vervulde in Westbroek meerdere functies. In de regel was hij niet alleen onderwijzer, maar ook koster van de kerk. Zijn taken omvatten onder meer het voorlezen tijdens kerkdiensten, het leiden van het gezang en soms ook het bespelen van het orgel. Daarnaast verrichtte hij praktische werkzaamheden rond de kerk, zoals het onderhoud van het gebouw en het graven van graven. Door deze combinatie van functies was de schoolmeester een centrale figuur in het religieuze en maatschappelijke leven van het dorp.
Inkomsten en levensonderhoud
Het inkomen van de schoolmeester bestond uit verschillende bronnen. In de zestiende eeuw ontving hij een bescheiden traktement van de kerk, had hij recht op vrije woning en kreeg hij van elk huishouden een kleine bijdrage. In de zeventiende eeuw werd een deel van zijn salaris betaald uit de dorpslasten van zowel Westbroek als Achttienhoven. In de loop van de tijd werden deze bedragen verhoogd.
Omdat het om geringe bedragen ging, had de schoolmeester neveninkomsten nodig uit j stoelgeld van kerkgangers en de verkoop van duivenmest en vergoeding voor het begraven van overledenen. Een belangrijk deel van zijn inkomen bestond uit schoolgeld dat door de ouders van de leerlingen werd betaald. Bovendien ontving de schoolmeester soms een kleine bijdrage van de heer van Zuilen.
Vroege schoolmeesters
Aan het einde van de zestiende eeuw werd het onderwijs in Westbroek verzorgd door Hendrik van Haastrecht, die tevens pastoor van het dorp was. Over zijn functioneren als onderwijzer werd echter ongunstig geoordeeld, wat waarschijnlijk tot zijn vertrek leidde.
Aan het begin van de zeventiende eeuw werd Anthonis Hendriksz. Mooren schoolmeester. Hij stamde uit een familie van onderwijzers en onderschreef zonder aarzeling de kerkelijke formulieren van eenheid, waarmee hij zijn verbondenheid met de gereformeerde leer bevestigde.
In 1630 werd Lucas Simonsz. de Vries aangesteld. Hij combineerde het schoolmeesterschap met werkzaamheden als boekdrukker en boekverkoper. Later werd het ambt bekleed door onder anderen Christiaan Cicil en Johannes Creket. Creket vervulde daarnaast ook bestuurlijke functies en werd toegelaten als landmeter.
Schoolmeesters in de zeventiende en achttiende eeuw
In 1665 werd Pieter van Bensum schoolmeester, maar hij werd wegens wangedrag ontslagen. Daarna volgden enkele schoolmeesters die slechts korte tijd in Westbroek werkzaam waren. Meer stabiliteit ontstond met Johannes Nijsmans, die vanaf 1683 ruim veertig jaar schoolmeester bleef. Na zijn overlijden in 1726 werd hij opgevolgd door Gosen Net. In de jaren daarna bekleedden Jacob Hoolhorst en zijn broer Dirk Hoolhorst het ambt.
De late achttiende eeuw
In 1760 werd Jan van Ogten schoolmeester in Westbroek. Hij was de zoon van de schoolmeester van Zuilen en had daar eerder als ondermeester gewerkt. Na enkele jaren vertrok hij weer naar Zuilen om zijn vader op te volgen.
Zijn plaats werd ingenomen door Willem van Dijk, die eveneens uit Zuilen afkomstig was. Hij bleef schoolmeester tot zijn overlijden in 1795. Daarna volgde zijn zoon, eveneens Willem van Dijk, hem op. Deze bleef tot 1814 in functie, maar hield zich minder actief met het onderwijs bezig en liet veel van het lesgeven over aan ondermeesters, die daarvoor slechts een geringe vergoeding ontvingen.
Overgang naar de negentiende eeuw
Na het overlijden van Willem van Dijk in 1814 ontstonden moeilijkheden rond de benoeming van een nieuwe schoolmeester. Uiteindelijk werd in 1815 na een vergelijkend examen Bernardus van Noort aangesteld. Daarmee begon een nieuwe fase waarin de benoeming van onderwijzers steeds meer onder toezicht van de overheid kwam te staan en het onderwijs geleidelijk wat professioneler werd.
DAB
Literatuur:
De Booy, E.P., De weldaet der scholen, het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de eeuw, Utrecht 1977.
Over Van Haastrecht:
Voor de benoeming van 1815: