Picture 210

Op 26 maart 1657 overleed Jacob van Eyck, de ‘Stichtsche Orfeus, eer en roem der konstenaren’, De Biltse dominee Sanderus schreef zijn ‘Rouwklacht’. [Janskerkhof. Tekening van P.J. van Liender, 1772. Utrechts Archief, Catalogusnummer 206622.]

 

Meer informatie

Utrechts beiaardier, klokkendeskundige, componist en schrijver van Der Fluyten Lust-hof Van Eyck was een van de meest vooraanstaande musici van de stad Utrecht in de zeventiende eeuw. Sanderus schreef het gedicht naar aanleiding van Van Eycks overlijden in 1657, toen hij nog predikant was in De Bilt (hij zou pas in 1664 naar Utrecht vertrekken). Voor meer over Sanderus klik men HIER.    Wellicht heeft Sanderus Van Eycks avondbespelingen van het carillon van de Janskerk op het Janskerkhof gehoord. Dat lag immers niet al te ver van De Bilt.

Een deel van Sanderus’ ‘Rouwklacht’ luidde als volgt:

‘Maar wat schelter in mijn ooren, /Dat soo vrolick sich laat hooren? / ’t Is de soete klocke klanck, / Eyckje singt zijn hellen sanck, / Eyckje comt ons Pleyn vereeren, / En de klockjes spreecken leeren, / Schaetert door de teere blaen / Datse we’er geluydtjes slaen. / Daer begindt hy op zijn fluydtje […] ‘

Hertaald:

‘Maar wat klinkt daar in mijn oren, / Dat zich zo vrolijk laat horen? / Het is het zoete klokgeklank: / Eyckje zingt zijn heldere zang. / Eyckje komt ons plein vereren / En de klokjes leren spreken, / Ritselt door de tere bladeren / Dat ze weer geluidjes maken. / Daar begint hij op zijn fluitje […]

 

Met de verwijzing naar ‘zijn fluitje’ doelt Sanderus erop, dat Van Eyck ook blokfluitcomposities maakte, die hij op het plein bij de kerk ten gehore bracht.

AD

 

Literatuur:

Thiemo Wind, ‘In Fluyt en Klokken-spel een aller eeuwen wonder. Jacob van Eyck: stadsbeiaardier, klokkendeskundige, blokfluitist en componist’. In: Oud Utrecht, jg. 80 (2007) pp. 4-9.