In de zeventiende eeuw eisten de gerechtshoven in de Republiek der Verenigde Nederlanden deugdelijk bewijs voordat zij iemand wegens hekserij wilden veroordelen. Een gerucht was hier niet meer voldoende. Rationalisme en rechtszekerheid wonnen het bij de juristen van bijgeloof, maar in de dorpen gingen nog verhalen rond over boosaardige en schadelijke  hekserij en werd iemand makkelijk aangeklaagd. In 1651 werden enkele heksen uit Westbroek door het Hof van Utrecht vrijgesproken. Sterker nog: ze werden beschermd. Hierboven: een heksenproces in de zeventiende eeuw, geschilderd door T.H. Matteson in 1855.

 

Meer informatie

Op 6 augustus 1651 concludeerde het Hof van Utrecht het volgende:

Het was de raadsheren ter ore gekomen dat een aantal personen die allemaal woonden in het gerecht van Westbroek en Achttienhoven, ervan werden beschuldigd dat zij tovenaars waren.  Het ging om Hillichgen Cornelis, de weduwe van Evert Thymansz. en Elisabeth Henricks, de weduwe van Meeuws Dircksz., en Dirck en Cornelis Meeussz., alsmede Govert Cornelisz. en zijn vrouw Mayckgen Meeussz. (Het steeds weer noemen van de naam Meeuws of Meuwis doet vermoeden dat het hier om familieleden ging.)

Van Hillichgen vertelde men dat zij onder meer de koeien van Willem Jansz. zou hebben betoverd, die in de wandeling de Schaap-smeerder werd genoemd en die ook in Westbroek woonde. Ook zou zij de vrouw hebben betoverd van Thonis Goverden, die herbergier in De Clop was. Daarom had men Hillichgen beetgepakt en met dreigementen en geweld gedwongen om over de vrouw van Thonis Goverden een godslasterlijke zegen uit te spreken zodat zij weer beter zou worden.

Het gerechtshof was van mening dat dit optreden van Thonis en Jacob Goverden tot  groot onheil kon leiden en vermoedde dat sommige mensen, die niet zo sterk van karakter waren, daardoor de verkeerde indruk zouden krijgen. Wat zij hadden gedaan, was strafbaar. Aan die twee mannen werd hun straf kwijtgescholden, maar alleen onder strikte voorwaarden.

Het hof verbood verder iedereen om een van de genoemde personen direct of indirect in verband te brengen met tovenarij, het zij in hun nabijheid of achter hun rug, om iets te zeggen of te gebaren of onbehoorlijke woorden zoals ‘heks’ of iets dergelijks na te roepen, op straffe van daarvoor opgepakt te worden en als voorbeeld voor anderen daarvoor gestraft te worden.

Uit dit proces blijkt wel dat het geloof in heksen bij de bevolking levendig bleef.

DAB

 

Literatuur:

Een transcriptie van de gerechtelijke uitspraak is te vinden in:

Weyde, A.J. van der, Iets over tovenaars en heksen, in: Jaarboekje ‘Oud Utrecht’ 1927 p. 155 – 169.