Het slot Abcoude was een plek waaraan een boer die in 1672 en 1673 op de hofstede Eyckenstein werkte, later slechte herinneringen zal hebben overgehouden. Hij werd daar opgesloten door troepen van prins Willem III die het door de Fransen bezette huis aanvielen. Het verhaal staat beschreven in de Dagelijksche aanteekeningen gedurende het verblijf der Franschen te Utrecht in 1672 en 1673 van de Utrechtse regent  Everard Booth. Het hier afgebeelde slot werd in 1646 getekend door Roeland Roghman (Utrechts Archief, beeldbank, nummer 201030).

 

Meer informatie

Maartensdijk werd in de jaren van de Franse bezetting 1672 en 1673 meermalen geconfronteerd zowel met de troepen van stadhouder Willem III als die van de zijn tegenstanders, de troepen van Lodewijk XIV  die zich kennelijk van het dorp meester maakten in het Rampjaar (1672). Zo werd in Maartensdijk een aanslag  op de Franse maarschalk Luxemburg gepland. Zie de post: Oorlogsgeweld in Maartensdijk: de gevolgen van het Rampjaar (1672/3).

De strijd tussen de troepen van prins Willem III en die van  Lodewijk XIV raakten ook bij andere gelegenheden  het dorp Maartensdijk, liggend in het gerecht Oostveen. Booth schrijft bijvoorbeeld op 20 december 1672: Ontrent 500 a 600 paerden [cavalleristen] sijn desen voormiddag van Harmelen gekomen ende hier doorgemarcheert naar de dorpen van de Meertensdijk ende Westbroek, de ruyters waren tot over d’ ooren beslijkt.

De Fransen hadden zich,  getuige Booths dagboek, op de hofstede Eyckenstein gevestigd, en lieten de boeren van dat landgoed voor zich werken. Eyckenstein was toen in handen van de Utrechtse muntmeester Johannes Gerobulus. (Zie de post: Johannes Gerobulus, de muntmeester van Eyckenstein.)

Op 16 februari 1673 schreef Booth:

Den capitein Floris Uyttenbogaert  [een Nederlandse militair in Franse dienst] is des avonts omtrent elf uren gekomen met 30 man aen de Meertensdijk op het goed van den Heer Gerobulus, aldaer een jongen die op de waght stont swaerlijk wondende [die door hen zwaar gewond werd]. [Uyttenbogaert viel]  ook [aan] op den ordinaris [gewone] wacht van de boeren sich in het bakhuys [gebouwtje met een bakoven] onthoudende [ophielden]. […] [Daarvan schoten ze er]  een dood […], plonderden voorts het huys ende namen den boer, [en] ook de sauveguarde van de Franschen [de Franse bezetting van Eyckenstein]  mede naer het huys t’Abcoude; Uyttenbogaert geeft voor, door dit heldenstuk te willen revengeren [wraak te willen nemen voor] de schade van het afhacken van de bomen op sijn moeders hofsteden aldaer [in Abcoude]. Oostveen [het gerecht, in feite het dorp Maartensdijk] sal de sauveguarde moeten lossen [rantsoen moeten betalen voor de gegijzelde Franse bezetting], tot welke kosten sijn, Uyttenbogaerts, moeder voor 3 hofsteden sal moeten gelden [ter compensatie voor de schade van Uyttenbogaerts moet het dorp een bedrag opbrengen, ter waarde van drie boerderijen].

Het dorp Abcoude was in 1672 door de Fransen op een verschrikkelijke manier verwoest. Ook Maartensdijk bleef het oorlogsleed na februari  1673 niet bespaard. We lezen  op 26 maart 1673 Het huys van den Col. Aquila is desen dagh door de Franschen in brand gestoken, hetwelke aen de Meertensdijk heeft gestaen’. Op 31 juli 1673 schrijft Booth: ‘Is van hier [Utrecht] onder den marquis de Melleray een parthye van ontrent 2000, so te voet als te paerd, uytgegaen, ende gaen leggen achter de Meertensdijk.’ Op 2 september 1673 luidt het [dat de Fransen ‘weder Meertensdijk plonderden, om voor het Princenvolk niet over te laten, hierdoor wert onse gehele Provintie in de grond geruineert; God betert!

Meer over het Rampjaar, Maartensdijk en de verwoesting vande hofstede  van kolonel d’Aquila, kan men lezen door DEZE LINK aan te klikken.

AD

 

Bron: ‘Dagelijksche aanteekeningen gedurende het verblijf der Franschen te Utrecht in 1672 en 1673, gehouden door Mr. Everard Booth, Raad-Ordinaris in den Hove Provintiaal van Utrecht en Oud-Raad ter Admiraliteyt.  Uit de papieren van Booth medegedeeld door Mr. J.A. Grothe’. In: Berigten van het Historische Gezelschap te Utrecht, VI (Utrecht 1857).