Aan de Prinsenlaan in Maartensdijk lag tot 1978 de nadien gesloopte boerderij met de naam Ridderhofstad’. Deze boerderij was echter geen ridderhofstad en behoorde ook niet bij een ridderhofstad op die plaats. Koelenberg of het Klooster werd wel als ridderhofstad aangeduid maar komt niet als zodanig voor in de hieronder genoemde lijsten. Westbroek viel wel onder een ridderhofstad:  het hier afgebeelde Huis Zuilen (bron: de hieronder genoemde brochure van Bunjes en Gunning).

 

Wat is een ridderhofstad?

 

Alex Bunjes en Jan Willem Gunning schreven een boeiende verhandeling over ‘stamhuizen aan de Vecht’. Daarin gaan ze uitvoerig in op de Utrechtse  ridderhofsteden. Men kan de brochure downloaden door aan te klikken:  Stamhuizen in de Vechtstreek door Alex Bunjes en Jan Willem Gunning.

 

Men leest in dit geschrift:

 

Het gewest Utrecht stelde in 1512 een belasting op huizen in om de grote schulden die waren gemaakt in de oorlog met Holland, te kunnen aflossen. Van dat “huisgeld” werden de eigenaars van ridderhofsteden vrijgesteld: de adel betaalde immers geen belasting. Er ontstond een zeer langdurige discussie over die nieuwe belasting en vooral over de reikwijdte van de vrijstelling. Voor welke kastelen die gold, was nog lang niet duidelijk toen in 1539 werd besloten om het huisgeld toch maar niet te heffen; daarmee was de vraag niet langer relevant. De discussie had wel geleid tot enige duidelijkheid over het nieuwe begrip ridderhofstad: de eigenaar moest behoren tot de ridderschap (zowel door zijn afstamming als door zijn levensstijl), het huis moest versterkt zijn en voorzien van een ophaalbrug en er moest een boerderij bij de hofstad horen. De Staten van Utrecht stelden in 1536 een eerste lijst op; daarop stonden 38 ridderhofsteden. Er kwamen vervolgens natuurlijk allerlei verzoeken binnen om die lijst uit te breiden Toen de discussie in 1539 werd afgebroken, waren er al 59 ridderhofsteden erkend en de behandeling van zeven andere aanvragen was vergevorderd. Een halve eeuw later kwam er een heel andere prikkel om erkenning na te streven: vanaf 1587 gold de regel dat wie de eerste stand in de Staten vertegenwoordigde, niet alleen moest behoren tot een riddermatige familie – er waren toen zo’n zeventig families in het Sticht die als riddermatig golden – maar ook een ridderhofstad moest bezitten.’

 

Hoe het zij, in de huidige gemeente De Bilt kwam naar alle waarschijnlijkheid geen ridderhofstad voor, maar wel waren er duidelijke associaties met het begrip ridder. Niet alleen in de naam van de boerderij of door de relatie met Huis Zuilen, maar ook door de  Ridderoordse Bossen, ten zuidoosten van Eijckenstein.

 

AD

 

Litteratuur: Alex Bunjes en Jan Willem Gunning,  ‘Stamhuizen’ in de Vechtstreek door de ogen van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling (Stichtse Vecht 2020). (Met dank aan de heren Bunjes en Gunning – bij wie het copyright berust – die de brochure ter beschikking stelden om hem op de site van Onlinemuseum De Bilt te plaatsen. De heer Bunjes is per email bereikbaar via alex@labv.nl)