In de zandgebieden rond het dorp De Bilt zijn enkele sporen van bewoning gevonden die teruggaan tot ongeveer 1100 voor Christus. Bij het huis Vollenhove vond men grafheuvels van ongeveer vierduizend jaar oud. Zie De Bilt in de prehistorie 1. In andere gebieden was de bevolking vermoedelijk niet groot doordat de Kromme Rijn telkens overstroomde en de grond drassig maakte. Hierdoor werden ook sporen van eventuele bewoning uitgewist.

Gedurende de vroege middeleeuwen werden vooral de meest vruchtbare delen van de Utrechtse heuvelrug bewoond en gebruikt voor landbouwgrond. Toen bisschop Godebald in 1122 de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede liet afdammen, werd het mogelijk, de moerassige grond droog te leggen en te ontginnen. Zie Bisschop Godebald in Oostbroek.

In het begin van de twaalfde eeuw stichtten twee ridders het Sint Laurensklooster, dat gewoonlijk de abdij van Oostbroek wordt genoemd. Dit klooster kreeg namelijk in 1122 van keizerin Mathilde het moerassige gebied Oostbroek en het aangrenzende veen. Daarbij hoorden ook de rechten van bestuur en het heffen van cijnzen (jaarlijkse betalingen voor het gebruik van de grond) en de lagere rechtspraak. De abt van Oostbroek kon in het gebied een schout aanstellen en men sprak van het gerecht van Oostbroek en De Bilt. Zie Een oorkonde voor het klooster Oostbroek.

Omstreeks 1139 werd voor nonnen van adellijke afkomst het Vrouwenklooster gesticht, dat voorlopig onder het gezag van de abt van Oostbroek bleef vallen. De gebouwen stonden op de plek van de huidige wijk Kloosterpark, waar ook het K.N.M.I. is gevestigd. Pas laat in de veertiende eeuw wist het Vrouwenklooster zelfstandigheid te verwerven onder een eigen abdis. Zie Petronella van Zeist en het Petronellakapelletje.

De monniken van Oostbroek namen de ontginning van het moerassige land ter hand en zorgden voor dijken en afwateringssloten. Op enige afstand van het klooster bouwde men uithoven, boerderijen waar lekenbroeders werkten, zoals Jagtlust, Vollenhove en Houdringe. Zie Den Hoek, een uithof van het Laurensklooster. Ook het Vrouwenklooster had uithoven, zoals Beerschoten.

Het werd nu mogelijk, een weg aan te leggen over de drooggevallen grond in de richting van Utrecht. Deze weg werd aan het einde van de dertiende eeuw bestraat met keien en was daardoor een van de eerste verharde wegen van Nederland. De Steenweg of Steenstraat liep vanaf de Utrechtse Wittevrouwenpoort via de huidige Biltstraat naar de Dorpsstraat en leidde verder in de richting van Keulen. Hij werd een van de belangrijkste handelswegen van ons land. Zie De Dorpsstraat in De Bilt.
Aan de Steenweg stond in de veertiende eeuw een herberg waar handelaars en andere reizigers konden overnachten. Als ze te laat waren en de stadspoort van Utrecht gesloten was, sliepen ze in De Bilt. Daar vestigden zich ook enkele handwerkslieden, zodat er een aangesloten bebouwing ontstond. Zie De Biltse herberg De Grote Biesbosch.

‘De Bilt’ wordt vanaf 1307 vermeld. De naam komt waarschijnlijk van belt, een gordel van hoger gelegen grond. Zie De naam De Bilt.

In de veertiende en de vijftiende eeuw werd het dorp enkele malen getroffen door oorlog, zoals in 1372 en 1421. Zie De Bilt in brand in 1372 en 1421.
In 1528 waren het de soldaten van Karel V die de molen van Vrouwenklooster in brand staken. We weten veel over deze roerige tijd doordat abdis Henrica van Erp een kroniekje schreef. Zie Henrica van Erp en haar kroniek en De Heilig Grafkapel van Vrouwenklooster.

De reformatie en de godsdiensttwisten ondermijnden de positie van de kloosters; in Oostbroek woonde in 1580 nog maar een handvol monniken. De stad Utrecht was bezorgd dat de Spanjaarden de gebouwen als fort zouden gebruiken en zette de abt onder druk om ze af te staan. Het klooster werd gesloopt en men gebruikte de stenen voor het versterken van de Utrechtse stadsmuur. De monniken verhuisden naar Utrecht. Zie Aernout van Buchel over de sloop van het Laurensklooster van Oostbroek.

Toen de Staten van het gewest Utrecht in 1580 officieel overgingen tot het protestantisme, namen zij het omvangrijke grondbezit van Oostbroek over. Vrouwenklooster, dat minder rijk was, werd in 1585 gesloopt. Enkele beelden en bogen werden later elders teruggevonden.
Zie De sloop van Vrouwenklooster en De gotische bogen van de kapel van Vrouwenklooster.
Hierboven is afgebeeld een middeleeuwse mozaiekvloer en zeven afzonderlijke tegels afkomstig uit een zaal in het klooster Oostbroek. (Collectie Het Utrechts Archief)

DAB