Volgens het volksgeloof in de negentiende en de twintigste eeuw hadden vrijmetselaars een verbond met de duivel gesloten. Variaties daarvan zien we ook in de dorpen die nu samen de gemeente De Bilt vormen. De afbeelding toont het boek dat Léo Taxil in 1890 schreef over de  duistere rituelen van de vrijmetselaars. Later gaf hij toe dat hij zijn onthullingen verzonnen had en dat zij waren bedoeld als satire.

 

Meer informatie

De vrijmetselarij bestaat uit een aantal loges of genootschappen die in besloten kring streven naar geestelijke en morele verheffing. Doordat hun rituelen niet openbaar zijn, ontstond er in brede kringen bezorgdheid en wantrouwen. Men heeft in het verleden allerlei samenzweringstheorieën bedacht, die hebben geleid tot vervolging in met name het nationaalsocialistische Duitsland en het Spanje van Franco.

Gewone mensen voelden zich buitengesloten en keken met achterdocht naar de genootschappen waar zij niet het fijne van wisten. Zij vulden het gebrek aan informatie in met zelfbedachte theorieën over bovennatuurlijke krachten. Ook in de dorpen bij De Bilt geloofde men in sinistere verschijnselen die weinig te maken hadden met de werkelijkheid.

Ziel verkocht

Het viel de dorpelingen  op dat een groot deel van de vrijmetselaars niet tot de klasse van arbeiders en boeren behoorde. ‘Vrijmetselaars beschikten altijd over geld, heb ik wel eens gehoord.’ Dat zei Piet van Barneveld, geboren in 1882 in Achttienhoven. Daar moest een verklaring voor zijn. Johanna Hardeveld – Elbertse (1891, De Bilt) wist wel waardoor dat kwam: de ‘vrijmechons’, zoals zij ze noemde, hadden hun ziel aan de duivel verkocht.

‘Vrijmechons verkochten zich aan de duivel. Dan hadden ze altijd geld en ze konden doen wat ze wilden. Ze gingen maar op een weg staan met vier hoeken en dan kwam de duivel vanzelf. Die had dat zo in de gaten. Handen vol geld kregen ze dan. Ze wisten niet wat ze ermee doen moesten. Maar op een keer moet zo’n vrijmechon dood en dan sleept de duivel zijn ziel mee. Altijd moet hij voor z’n tijd dood, want hij heeft zijn ziel verkocht tegen die en die tijd. Als zo’n kerel dood was, had hij geen rooie cent meer. Alles was op. Daaraan kon je al merken dat er iets niet goed zat.’

Mensenoffer

Sommige dorpelingen vertelden dat die dood plaatsvond door middel van een mensenoffer en dat het lot bepaalde, wie er aan de beurt was. Piet van Barneveld weer: ‘Ze hadden daar [in Utrecht] een huis en in een donkere kamer kwamen ze eens per jaar samen. Er moest er dan een dood, geofferd worden. Die het lot trof, die moest sterven. Later heeft er een in Westbroek gewoond, die stierf schielijk. Het was in mijn jeugd en je begrijpt wel dat er toen over gepraat werd.’

Dit werd bevestigd door Jan Bos uit Hollandsche Rading en door Albert Pastunnink uit Bilthoven. Een alternatief verhaal over de herkomst van de rijkdom van de leden horen we van Steven Evertse uit Groenekan (1882): ‘Vrijmetselaars die hielpen elkaar altijd. Als je daarbij ging, dan zat je nooit in armoe, maar je mocht niks verraden.’ Dat klinkt al veel minder ongeloofwaardig, maar dan komt toch het bovennatuurlijke konijn  uit de hoed: ‘Als er een onder was die dat zaakje verraadde, dan brak de duivel hem de nek. Zo was het ook nog eens een keer.’ Albert Kooij uit Maartensdijk (1902) voegde daar nog aan toe: ’Maar als ze dood zijn, gaan ze recht door naar de hel.’

In dorpen in de omgeving buiten de gemeente De Bilt komen we vergelijkbare verzonnen verhalen tegen met allerlei variaties: vrijmetselaars werken alleen ’s nachts, ze gaan nooit naar de kerk, ze doorsteken de hostie, ze groeten elkaar met twee vingers.

DAB

 

Literatuur:

Heupers, E. (ed.), Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe, 3 dln., Amsterdam 1981 en 1984 nr. 1315, 1323, 1469, 1956, 2985 en 3401. Voor de nabijgelegen dorpen vele tientallen nummers.

Butter M. en P. Knight (ed.),  Routledge Handbook Of Conspiracy Theories, New York 2020.

Prins, J. De vrijmetselarij in onze gemeente, in: De Biltse Grift december 2011.

Spring naar toolbar