
Drie oorkonden van het mannenklooster St. Laurentius in Oostbroek uit respectievelijk 1226, 1231 en 1241 laten zien hoe het onder het mannenklooster vallende Vrouwenklooster kampte met bestuurlijke en financiële problemen. Er waren onenigheden tussen de monniken en de nonnen. Vrouwenklooster kreeg daarom enkele jaren meer zelfbestuur. [Afgebeeld: Willibrord grondlegger van het (aarts)bisdom Utrecht. Bibliothèque nationale de France, Parijs, MS Lat. 10510. Otto en Wilbrand hierna genoemd waren de 33e en 34e bisschop.]
De documenten beschrijven hoe de bisschop van Utrecht probeerde de situatie te verbeteren. In 1226 stelde bisschop Otto van Utrecht een nieuwe bestuursregeling vast, waarbij Vrouwenklooster meer zelfstandigheid kreeg om de eigen zaken te regelen. De kennelijk slecht functionerende abt die tot dan toe ook Vrouwenklooster bestuurde – in 1228 is sprake van een zekere Koenraad – moest een proost of verantwoordelijke gezagsdrager voor Vrouwenklooster aanstellen voor de dagelijkse leiding, terwijl drie nonnen samen met deze proost toezicht hielden op de goederen en inkomsten. Uitgaven en schulden moesten maandelijks worden verantwoord. Ook werd bepaald dat een derde deel van bepaalde inkomsten uit de gemeenschappelijke bezittingen van de monniken naar het vrouwenklooster moest gaan. De regeling moest zowel het financiële beheer als de verzorging van de nonnen verbeteren.
De maatregelen hadden echter onvoldoende effect. In 1228/1229 besloot Otto’s opvolger Wilbrand zelf de proost voor Vrouwenklooster aan te stellen. Ook dat werkte niet. Er was namelijk opnieuw grote onenigheid gerezen tussen het mannenklooster St. Laurentius van Oostbroek en Vrouwenklooster. Wilbrand greep opnieuw in en herstelde de abt en de monniken in de volledige zeggenschap over Vrouwenklooster.
Ook deze ingreep hielp niet om de slechte economische situatie van Vrouwenklooster en het lot van de nonnen te verbeteren. In 1241 bleek immers dat de inkomsten nog altijd onvoldoende waren om alle nonnen te onderhouden. Sommige zusters moesten zelfs buiten het klooster om voedsel bedelen. Onduidelijk is of dat kwam door slecht beheer door de abt, door de economische omstandigheden of door een onevenredige verdeling van de opbrengst van de kloostergoederen. Bisschop Otto besloot in ieder geval, met instemming van de nonnen, hun aantal te beperken tot dertig, naast de priorin van Vrouwenklooster. Nieuwe intredingen waren verboden totdat het aantal nonnen tot dit getal was teruggebracht. Kennelijk konden met de hen toegewezen opbrengsten van de kloostergoederen niet meer dertig nonnen worden gevoed en onderhouden.
Voor de hertaalde en originele tekst van deze oorkonden klikt u hier: Drie oorkonden over de verhouding tussen het mannen- en vrouwenklooster Oostbroek.
AD
Bron:
De Geer, J. J. de, ‘Oorkonden betrekkelijk tot de abdij van St. Laurentius en het vrouwenklooster te Oostbroek De Vroucloister’, in: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, Tweede serie, vierde deel, tweede afdeeling (Utrecht 1860) pp. 17vv.