De laatste ambachtsheer van Oostbroek en De Bilt was Daniël Jacob van Ewijck (1786-1858), die een aantal belangrijke functies bekleedde buiten De Bilt. Afbeelding: litho van P.W. van de Weijer uit 1858 naar een onbekende afbeelding uit ca. 1856. (Collectie Utrechts Archief)

 

Meer informatie

Daniel van Ewijck verwierf het ambt in 1831. Hij was lid van de Utrechtse gemeenteraad en hij introduceerde leerstoelen op het gebied van mijn- en bosbouw, schei- en werktuigbouwkunde. Daarnaast stond hij aan de wieg van muziekscholen in Brussel, Den Haag en Amsterdam en stichtte hij de Brusselse sterrenwacht. Hij was ook commissaris des konings in Drenthe en Noord-Holland.

De heerlijkheid Oostbroek en De Bilt was vanaf 1744 in handen van het geslacht van Ewijck. De eerste Van Ewijck in deze functie was Johan Henrick van Ewijck.

Oostbroek en De Bilt vormden tot het midden van de negentiende eeuw een zogeheten ambachtsheerlijkheid. De heerlijkheid was een zelfstandig bestuursorgaan onder een ambachtsheer. Deze had de zogenaamde lage rechtspraak (de rechtspraak betreffende kleinere vergrijpen, geen halsmisdaden). De ambachtsheer liet de rechtszaken echter afdoen door een hem vervangende ambtenaar.

Hij benoemde verder – tot de Franse tijd – de schout, secretaris, gadermeester, schepenen, koster, doodgraver, gerechtsbode en schipper van de heerlijkheid. De schout moest orde en rust handhaven en doen wat de ambachtsheer opdroeg. De schepenen kan men zien als vertegenwoordigers van de dorpelingen. De gadermeester fungeerde als een soort penningmeester. Vanaf 1825 benoemde de koning de burgemeester (die in plaats van de schout kwam), maar hij deed dat op voordracht van de ambachtsheer. Met de grondwetswijziging van 1848 waren er geen heerlijke rechten meer. Vanaf 1851 hield de functie van ambachtsheer op te bestaan.

AD

Literatuur:

Neerlandia 1957

H. Damsté, Oostbroek en De Bilt c.s., Stichtse Historische Reeks 4, Zutphen 1978.