Een van de eerste bestrate wegen in ons land was de Steenstraat, die van Utrecht naar Zeist voerde. De dorpsstraat van De Bilt was daarvan een onderdeel. De Steenstraat of Biltse Steenweg vormde de handelsroute van het westen van ons land naar Keulen. Omdat deze weg verhard was, kon men er met karren over rijden. Omstreeks 1850 organiseerde Paul Dieges hier een diligencedienst. Afgebeeld is de diligence, het rijtuig, van Dieges omstreeks 1878 terwijl hij de kerk in de Dorpsstraat passeert.(Collectie Het Utrechts Archief).

Meer informatie

Tot ver in de 19e eeuw was De Bilt een rustig dorp, waar slechts boerenwagens, karren en de koetsen van rijke buitenplaatsbewoners over de Dorpsstraat reden. De wegen waren slecht begaanbaar, vooral in natte winters of droge zomers. Een geregelde dienstregeling voor post- en diligenceritten bestond nog niet. Slechts tweemaal per week reed er een postkar vanuit Utrecht door De Bilt richting Nijmegen, uitsluitend bedoeld voor staats- en zakelijke post.

Van zandweg tot drukke doorgang

Pas rond 1830 werd de infrastructuur verbeterd en kwam er een echt tijdschema voor de diligencediensten. Utrecht, de centraal gelegen stad, was een belangrijk knooppunt van post- en reizigersvervoer. Hierdoor trokken dagelijks tientallen wagens door de Dorpsstraat in De Bilt, een hele belevenis voor de inwoners, die vaak nieuwsgierig uit het raam keken wanneer de postwagens met hoorngeschal passeerden.

Het vervoer was aan strikte regels gebonden. Ondernemers hadden een vergunning nodig, rijtuigen werden gekeurd en moesten aan afmetingen en gewichtsvoorschriften voldoen. De afstanden werden in uren gaans, niet in kilometers, aangegeven: zo was een rit van De Bilt naar Utrecht drie kwartier en naar Amersfoort drie uur. De postkoetsen waren vaak zwaar beladen, waardoor het trekken door heuvelachtig terrein – zoals de Grebbeberg – een uitdaging was. In de winter moesten paarden met ijzeren nagels beslagen worden, en bruggen werden bestrooid om gladheid te voorkomen. Conducteurs hielden toezicht op de ritten en de reizigers, en zorgden ervoor dat koetsiers niet dronken op de bok zaten. Toch klaagden passagiers regelmatig over tochtige deuren, kapotte raampjes en versleten banken.

 Opkomst en ondergang van de diligence in De Bilt

In 1845 kreeg Paul Dieges vergunning om een postwagendienst te beginnen tussen Utrecht, De Bilt en Zeist. Hij reed tweemaal daags en gaf aansluiting op de trein naar Amsterdam. Later bood hij ook ritten aan naar Amersfoort met aansluiting op de trein naar Amsterdam en de trekschuit naar Leiden.. Zijn dienst werd een succes, met soms zelfs extra wagens vanwege de drukte. In 1863 breidde Dieges zijn ritten uit tot vijf per dag. Voor een ritje van De Bilt naar Utrecht betaalde men 25 cent, een retourtje kostte 45 cent. Hij nam ook boodschappen mee voor bewoners langs de route.

Maar al snel kreeg Dieges concurrentie van de firma Van Wijk uit Zeist, die luxere koetsen met meer zitplaatsen bood en extra comfort, zoals hooi op de vloer in de winter. De opkomst van de spoorwegen betekende echter het begin van het einde voor deze diensten. De paardentram tussen Utrecht en Zeist, in gebruik genomen in 1879, trok veel reizigers weg. Dieges kon de concurrentie niet meer aan en werd huurkoetsier bij het station van Utrecht. Zijn leven eindigde tragisch; berooid en alcoholist overleed hij in 1894.

Tegen het einde van de 19e eeuw waren diligences landelijk op hun retour. Het spoor- en tramnetwerk breidde zich snel uit en bood sneller en comfortabeler vervoer. De oude postkoetsen bleven alleen nog bestaan op trajecten buiten het bereik van deze nieuwe vervoersmiddelen. De Bilt was dankzij deze ontwikkeling definitief uit zijn isolement gehaald.

DAB

Literatuur:
T. Langerveld, De Dorpsstraat en het verkeer in de vorige eeuw, in: De Biltse Grift 1992.