Tussen 1737 en 1741 de gemoederen van protestants Westbroek in beroering door de scheve schaats die de dochter van ouderling Salomon Jansz. Walraven, Mari , in 1736 reed. Zij beviel als gevolg daarvan in de zomer van 1737 van een buitenechtelijk kind. [Christus en de overspelige vrouw, Gerbrand van den Eeckhout, 1650 – 1674. Rijksmuseum Amsterdam.]

 

Meer informatie

 

Mari moest, na haar kind aangegeven te hebben bij dominee Cornelius de Cuyper, eiste deze, bij de doop van haar kind in het openbaar boeten voor haar overspel. Het buitenechtelijk krijgen van een kind was immers een zondige schanddaad, hoerenwerk! Daar paste een zware boetepreek en het publiek erkennen van het zondige overspel bij.

De Westbroekse predikant, die het dorp diende tussen 1735 en 1744,  stelde zich op deze manier bepaald veel strenger en meedogenlozer op dan Christus in een vergelijkbaar geval. Toen een overspelige vrouw gestenigd dreigde te worden, zei Jezus: ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen’. Zo mild reageerden De Cuyper en zijn kerkenraad  bepaald niet.  Niet alleen Mari  werd aangepakt:  de vermoedelijke verwekker van Mari’s baby, een zekere Gerritsen, mocht niet meer deelnemen aan het Heilig Avondmaal, hoewel hij bij hoog en laag volhield van niets te weten.

Mari’s vader Salomon Jansz. Walraven was ouderling in de Westbroekse kerk. Hij vond het strenge optreden van ds. De Cuyper maar niets en wilde zijn dochter niet aan de straf van de predikant onderwerpen: zij was toch niet zondiger dan anderen?  Hij wilde om zijn dochter Mari te ontzien haar de boetepreek en de publieke vernedering van schuldbekenning besparen. Hij wenste zijn kleinkind daarom zelf naar het doopvont brengen, in afwezigheid van de moeder.  ‘Als dat niet mag, dan ga ik naar de classis van Amersfoort toe’, besloot hij. (De classis is de regionale organisatie van plaatselijke  kerken.)

Intussen kreeg ds. De Cuyper toestemming van Walravens collega’s in de kerkenraad om zijn beklag te doen bij de Amersfoortse classis en daaraan advies te vragen, hoe te handelen met Salomon Jansz. Walraven en zijn vrouw Cornelia, die haar man voluit steunde.

Mari liet echter, na hel en verdoemenis van de Westbroekse predikant te hebben aangehoord,  haar kind alsnog dopen en onderwierp  zich aan de verbale tuchtiging van dominee De Cuyper, die haar consequent ‘hoer’ bleef noemen.

Mari’s ouders waren diep gegriefd en verschenen niet meer in de kerk. Toen Walravens collega Japik Barthen huisbezoek bij het echtpaar Walraven deed, werd hij uitgescholden en het huis uitgezet. De kerkenraad veroordeelde dit en bleef vierkant achter De Cuyper en Barthen staan, hoewel Barthen en Walraven werd geadviseerd niet meer deel te nemen aan het Heilig Avondmaal tot zij zich verzoend hadden. Het lijkt er op dat Barthen het sacrament na korte tijd weer tot zich nam, terwijl Walraven dit niet deed. De zaak werd niet bijgelegd. Salomon Jansz. Walraven bleef pertinent weigeren in de ouderlingenbank plaats te nemen.

De situatie escaleerde verder toen Mari, die nooit naar de kerk ging,  daar op zondag 2 maart 1738voor de oogen van den beschuldigden [Gerritsen], int aangezigt der gemeinte [haar kind] heeft doen huppelen en met onkuische en wulpsche gebaarde en ergerlicke woorden in de gemeente eene groote opschudding, tot stooringe van den publiken godsdienst heeft veroorzaakt.’

Gerritsen bleef nadien  volhouden van niets te weten en zat in juni 1740 toch aan aan het Heilig Avondmaal. Het Hof van Utrecht had immers, zei hij, toen Mari hem daarvoor gesleept had, hem toch niet kunnen veroordelen? De kerkenraad wist intussen ook niet meer wat ze moest doen met ’s mans ontkenningen. Zij  liet het in afwachting van het advies van de classis Amersfoort ‘aan diens geweten’ over. Of hij gelogen had of niet: hij moest zelf maar beslissen, deelnemen aan het Heilig Avondmaal of niet. Datzelfde adviseerde wat later ook de classis.

Het laatste dat men in de notulen van de Westbroekse kerkenraad over deze kwestie leest, is dat Cornelia Walraven in maart 1741 dominee De Cuyper en een ouderling die hem vergezelde  op ‘ bittere en injurieinde [[beledigende] woord[en] en op de heftigste wijze’ trakteerde. Walraven was toen allang geen ouderling meer. Daarna wordt het, in ieder geval in de notulen, stil nadat de kwestie vier jaar lang het dorp in beroering had gebracht.

Wie de bronnen en de transcriptie ervan wil lezen, klik aan: De notulen van de Westbroekse kerkenraad over de ongewenste zwangerschap van Mari Walraven, transcriptie en stukken.

Voor de volgende post in deze reeks over ‘de ware christelijk gereformeerde kerk’ van De Bilt in de 17e en 18e eeuw klik men HIER.

 

AD

 

Bron: Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, inventaris 0978 (archief Hervormde gemeente Wetbroek 1515-1985), archief van de kerkenraad 1 (acta of notulen van de kerkenraad 1 (1632-1643, 1640-1744).