Op 1 januari van het jaar 723 schonk de hofmeier Karel Martel, de grootvader van keizer Karel de Grote goederen aan het klooster van Trajectum. De gift ging om bezittingen binnen en buiten de muren van de oude Romeinse legerplaats waaruit Utrecht ontstond. Als gevolg daarvan mochten de kloosterlingen naar wordt aangenomen, ook in Maartensdijk en Westbroek – turf steken. (Rijksmuseum Amsterdam Vrouw aan het werk met turf. Th. u. O. Hofmeister, ca. 1894 – in of voor 1899.)
De oorkonde van Karel Martel is opgenomen In het Cartularium van Radboud. Deze Utrechtse bisschop bracht een verzameling documenten bij elkaar, om de rechten van het bisdom te verdedigen.
Hertaald zegtde schenkingsoorkonde van 723, dat het ging om weidegrond genaamd Graueningo.’ In het boek ‘Het veenrecht in de provincie Utrecht van 1592-1916’ van Th.F.J.H. Dolk staat over ‘Graveningo’: ‘Maartensdijk met Westbroek [wordt] in een giftbrief van Karel Martel uit het jaar 722 [sic!] vermeld als de landstreek ‘Graveningen’, een naam dien Buchelius gekozen acht in verband met het turfgraven’.
Van Buchel schreef zijn interpretatie van het woord Graveningen op in zijn Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa. Dat is een beroemd manuscript dat u kunt lezen op de site van het Utrechts Archief. Aernout van Buchel (1565-1641) maakte zich grote zorgen over de vernietiging van veel bedreigde opschriften, grafzerken, wapenborden en andere opvallende zaken. Dat gebeurde doordat ze door de komst van de Reformatie werden beschouwd als te verwijderen overblijfselen van het rooms-katholicisme. Hertaald uit het latijn luidde Buchels of Buchelius’ constatering: ‘[Graveningen] is een naam afgeleid van het turfsteken, omdat deze plaats geschikt was om turf te steken.
AD
Bronnen:
Th.F.J.H. Dolk, Het veenrecht in de provincie Utrecht van 1592-1916’; M. Gysseling en A.C.F. Koch uit 1950, Diplomata Belgica, (Brussel 1950) nr, 173, p. 304