De 19e eeuw werd gekenmerkt door een aantal belangrijke onderwijswetten die het niveau van de scholen moesten verhogen. Daarnaast speelde de schoolstrijd een grote rol.

De onderwijswet van 1806

In 1806 vormde een nieuwe wet een keerpunt in de geschiedenis van het lager onderwijs. Vooral op het platteland was het onderwijs slecht georganiseerd en te beperkt van omvang. De overheid wilde het onderwijs uitbreiden en moderniseren. Tijdens het Koninkrijk Holland, dat onder Franse overheersing was ingesteld, werd daarom een nieuwe onderwijswet ingevoerd.

De belangrijkste verandering was dat het onderwijs voortaan een taak van de staat werd. Gemeenten moesten zorgen voor een school, en er kwamen landelijke regels en toezicht. Voor de functie van onderwijzer stelde men in 1814 een examen in, dat een jaar later bij de benoeming in Westbroek een rol speelde.

De invloed van de kerk nam hierdoor af. Het doel van het onderwijs werd omschreven als de “vorming van alle maatschappelijke en christelijke deugden”. Veel protestanten en katholieken vonden echter dat het onderwijs hierdoor niet meer voldoende religieus gekleurd was.

Nieuwe onderwijswetten

De onderwijswetten van 1857 en 1878 waren bedoeld om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren. Elke gemeente moest zorgen voor openbaar lager onderwijs. Door de industriële revolutie ontstond er bovendien behoefte aan goed opgeleide werknemers.

Er werden strengere eisen gesteld aan schoolgebouwen, het aantal leerlingen per klas en de opleiding van onderwijzers. Ook het lesprogramma werd nader omschreven. Men ging aparte klassen vormen voor leerlingen van verschillende leeftijden.

Voor de dorpsschool in De Bilt, die lang gevestigd was in het gemeentehuis, werd in 1881 in de Tuinstraat een nieuw gebouw neergezet. In Westbroek werd de bestaande openbare school in 1883 uitgebreid.

De schoolstrijd

De wet van 1857 erkende dat katholieke en protestantse scholen mochten bestaan, maar religieuze groepen moesten hun scholen zelf financieren. De wet van 1878 stelde zulke hoge eisen aan gebouwen, klassengrootte en opleiding van onderwijzers dat het voor katholieke en protestantse scholen bijna onmogelijk werd om daaraan te voldoen.

Protestantse leiders zoals Abraham Kuyper en katholieke politici organiseerden daarop petities en campagnes. Er werden protestantse en katholieke politieke partijen opgericht. Deze schoolstrijd vormde het begin van de verzuiling in Nederland. Toch bouwden confessionele schoolverenigingen met grote inspanning scholen. In Westbroek kreeg de pas gebouwde openbare school na enkele jaren concurrentie van een gereformeerde school in Achttienhoven.

In de zogeheten pacificatie van 1917 spraak men af dat in het vervolg de bijzondere scholen dezelfde financiering zouden krijgen als de openbare. Dat maakte een einde aan de schoolstrijd.

DAB

U bevindt u op de Rondleiding over Onderwijs. Voor het vervolg klik HIER.