De belangen van turfstekers en verveners waren niet altijd dezelfde als die van de boeren van Westbroek. Kostbare landbouwgrond kon door de vervening verloren gaan en onder water komen te staan. Daardoor kwam het in de achttiende eeuw meermalen tot een verbod van turfsteken voor bepaalde gebieden, met name in de jaren 1762 en 1790. [Kaart uit Th.F.J.A. Dolk Het veenrecht in de provincie Utrecht van 1592-1916 (Utrecht 1916). De Westbroekse verveningen zijn rechtsonder te zien.]

 

Meer informatie

In 1762 besloten de Staten van Utrecht tijdelijk een verbod op vervening in te stellen voor enkele gronden in Westbroek. Dit gebeurde naar aanleiding van een aanschrijving van 17 februari 1762 en op voorstel van het lokale bestuur van Westbroek. Op 21 april 1762 werd bepaald dat het verbod slechts één jaar zou gelden, in afwachting van een definitieve beslissing. Die definitieve beslissing kwam echter nooit. Daardoor verviel het tijdelijke verbod automatisch na een jaar. Toch ontstond er in 1778 nog discussie over de vraag of het verbod misschien toch nog geldig was. Omdat men het in de praktijk lange tijd stilzwijgend was blijven naleven, waren sommigen gaan denken dat het nog steeds van kracht was. Zowel de Gedeputeerde Staten als de Staten deden vervolgens uitgebreid onderzoek naar deze kwestie. Uiteindelijk concludeerden beide bestuursorganen dat het verbod inderdaad al lang verlopen en dus ongeldig was.

Een tweede verveningsverbod voor delen van Westbroek van 1790, kwam voort uit toenemende zorgen over de schadelijke gevolgen van de turfwinning. De ambachtsheer van Westbroek had al jarenlang gewaarschuwd voor het misbruik van de bestaande regels en stelde dat verdere vervening uiteindelijk schadelijk, zelfs rampzalig, zou zijn voor zowel de provincie als de veengebieden zelf.

Toen veenarbeiders in 1788 om vrijstelling van bepaalde regels vroegen, stelde de heer van Zuilen en Westbroek voor om alle gronden in Westbroek door deskundigen te laten onderzoeken en in te delen naar geschiktheid voor vervening. Sommige gronden zouden volledig geschikt zijn, andere slechts gedeeltelijk, terwijl vruchtbare landbouwgrond volledig beschermd moest blijven.

Op verzoek van de Staten onderzochten landmeter Praalder en veendeskundige J. Staal vervolgens het gebied. Hun rapport uit 1789 concludeerde dat zo’n strikte indeling moeilijk uitvoerbaar was, maar gaf wel nauwkeurig aan waar vervening nog mogelijk was en waar niet. Het rapport werd ondersteund door zowel de Gedeputeerde Staten als de Staten zelf.

Daarop vaardigden de Staten op 3 maart 1790 een gedeeltelijk verveningsverbod uit voor Westbroek. Een aanvullend besluit van april 1790 werkte dit verder uit met een exacte beschrijving van de betrokken percelen. Om iedere twijfel te voorkomen werden de grenzen van het verboden gebied zelfs met palen in het landschap aangegeven. Jammer genoeg beschikken we niet over een kaart, waarop staat in welke gebieden geen veen meer mocht worden gestoken. Wel is bekend, dat het verbod van 1790 in 1873 bij Koninklijk Besluit werd opgeheven.

Dat juist Westbroek een speciaal verveningsverbod kreeg, had verschillende redenen. Het gebied lag dicht bij Utrecht en was belangrijk voor de voedselvoorziening van de stad. Grootschalige vervening zou waardevolle landbouwgrond doen verdwijnen en bovendien leiden tot de vorming van grote waterplassen vlak bij het dichtstbevolkte deel van de provincie. Daarnaast dacht men dat drooglegging later onmogelijk zou zijn vanwege de slechte ondergrond onder het veen. Men vreesde daarom dat Westbroek uiteindelijk uiteen zou vallen in losse, onbruikbare stukken land. Ook speelde mee dat Westbroek rechtstreeks onder het gezag van de Staten viel en daardoor extra aandacht kreeg van het provinciebestuur.

Hoe het zij, er werd nog lang turf gestoken in Westbroek. Meer daarover kan men lezen door HIER. Voor een goede kaart van de Westbroekse verveningen, uit 1770,  klik men HIER.

AD

Literatuur:

Th.F.J.A. Dolk, Het veenrecht in de provincie Utrecht van 1592-1916 (Utrecht 1916).