
In de maanden vóór de Tweede Wereldoorlog werd de gemeentepolitiek in De Bilt beheerst door een affaire die de verhoudingen jarenlang zou verstoren. Centraal stond het sociaaldemocratische raadslid E. van Scherpenzeel, die door drie collega-raadsleden werd beschuldigd van corruptie. Hoewel justitie uiteindelijk geen strafvervolging instelde, bleef de vraag hangen of daarmee ook zijn onschuld was bewezen. De zogenaamde kwestie-Van Scherpenzeel groeide uit tot een van de felste politieke conflicten die de gemeenteraad ooit heeft gekend.
De Bilthovense aannemer en makelaar G. Priem vertelde verschillende raadsleden dat hij gedurende langere tijd geld had betaald aan Van Scherpenzeel om problemen met het gemeentebestuur op te lossen. Volgens Priem ging het om ongeveer 2.500 gulden. Hij verklaarde bovendien dat Van Scherpenzeel hem had voorgesteld tegen betaling zijn belangen bij de gemeente te behartigen.
Deze beschuldigingen werden serieus genomen door de raadsleden E.M.A. Bos (Christelijk-Historische Unie), O.C. Janssen (Neutrale Partij) en F.M.C. Brinkman (Staatkundig Gereformeerde Partij). Tijdens een gesprek op 1 november 1938 verklaarde Priem zelfs dat hij bereid was zijn verhaal onder ede te bevestigen. Toen hem vervolgens werd gevraagd een schriftelijke verklaring te ondertekenen, begon hij echter te aarzelen. De volgende dag trok hij zich terug. Volgens de drie raadsleden probeerde hij daarna de hele zaak zelfs met geld af te kopen.
Justitieel onderzoek
Bos, Janssen en Brinkman vonden dat zij deze ernstige beschuldigingen niet konden negeren. Zij vroegen burgemeester en wethouders een officieel onderzoek in te stellen en legden de kwestie uiteindelijk ook voor aan de officier van justitie.
Het justitieel onderzoek leverde echter onvoldoende bewijs op om Van Scherpenzeel strafrechtelijk te vervolgen. Dat betekende niet dat zijn onschuld werd vastgesteld, maar uitsluitend dat de beschuldigingen niet bewezen konden worden. Juist over die uitleg ontstond een felle politieke strijd.
Voor de SDAP was de zaak hiermee volledig afgedaan. Fractiegenoot Vlek sprak van een volledige rehabilitatie en stelde dat de naam van Van Scherpenzeel was gezuiverd. Wethouder mr. Ter Laan ging nog verder. Volgens hem maakten de drie aanklagers zich schuldig aan laster door te blijven suggereren dat er “toch iets was blijven hangen”. Hij had gehoopt dat zij tijdens de eerstvolgende raadsvergadering hun excuses zouden aanbieden.
Een bewogen vergadering
Die vergadering, gehouden op 24 februari 1939, liep volledig uit de hand. Urenlang vlogen de beschuldigingen over en weer. De drie aanklagers hielden vol dat zij slechts hun plicht hadden gedaan. Volgens hen had Priem zijn verklaringen op verschillende momenten herhaald en waren zij daarom verplicht geweest de zaak aan justitie voor te leggen. Zij wezen erop dat de officier van justitie alleen had vastgesteld dat bewijs ontbrak, niet dat Van Scherpenzeel onschuldig was.
Van Scherpenzeel zelf reageerde geëmotioneerd. Hij vertelde hoeveel verdriet de affaire zijn gezin had bezorgd en verklaarde dat iedereen die ook maar één oneerlijke daad uit zijn twintigjarige verblijf in De Bilt kon aantonen, hem onmiddellijk uit de raad mocht zien vertrekken. Vervolgens noemde hij zijn beschuldigers “eerloze lasteraars”.
Ook burgemeester De Geus mengde zich nadrukkelijk in het debat. Hij nam het op voor Van Scherpenzeel en verweet de drie raadsleden dat zij de zaak hadden opgeblazen zonder ooit een concreet strafbaar feit te kunnen aanwijzen. Volgens hem was de sfeer in de raad zo ernstig verstoord dat verdere behandeling van de agenda onmogelijk was. Hij sloot daarom de vergadering voortijdig.
Juridisch was de zaak daarmee afgelopen. Politiek en persoonlijk bleef zij echter nog lang nadreunen. De drie aanklagers bleven overtuigd dat zij terecht hadden gehandeld, terwijl de SDAP de kwestie beschouwde als een mislukte poging om een gerespecteerd raadslid in diskrediet te brengen. De kwestie-Van Scherpenzeel laat zien hoe scherp de politieke tegenstellingen in De Bilt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog konden zijn.
Kort daarna zou een nieuw schandaal De Bilt in beroering brengen.
DAB
Literatuur:
Biltsche Courant 24 februari en 3 maart 1939.
Utrechts Volksblad 6 februari, 24 februari, 2mei 1939.
Zie echter ook op deze site:
De fraudezaak-Van Middelkoop schokte De Bilt opnieuw – Online Museum de Bilt