De naam De Bilt betekent waarschijnlijk de gordel, een rand van hoger gelegen zand  tegen de natte veengronden in het westen. Gedeputeerde Staten schreven deftig De Bildt, zoals ook te zien is op bovenstaande kaart van omstreeks 1880 (Collectie Utrechts Archief).

 

Meer informatie

De oudste vermelding van de naam De Bilt staat in een oorkonde van de Utrechtse bisschop Guy van Avesnes van 22 februari 1307 of 1308:

…die gheleghen zijn beneden Overhese ende neerwaerts tegaen tot der Bilten. 

Ook van 1307 is een vermelding in het Registrum Guidonis die zegt:

Op die Bilt wart ien man doit ghescleghen. Dat dede Gyze Dapper ende zine helpers. Ende van des Gizen gheselscap wart enen man weder die hant ofghescleghen.

Maar waar komt de naam vandaan? In het verleden heeft  men verschillende verklaringen bedacht. Inwoners legden uit dat de naam afkomstig was van Het Beeld, een beeld dat in de de abdij van Oostbroek had gestaan. Vaker hoorde men het begrip belt, dat in het oosten van ons land werd gebruikt voor een lage heuvel. Dit is ook overgeleverd in de woorden vuilnisbelt en meulenbelt. In het Nedersticht werd dit woord echter niet gebruikt en bovendien heeft De Bilt niet zo’n heuvel.

De taalkundige H.T.J. Miedema  kwam met een meer wetenschappelijke verklaring. Een ander woord belt komen we tegen in de betekenis van gordel in bijvoorbeeld Engeland, Zweden en Denemarken. Men kan de hoge zandgrond van De Bilt hebben gezien als een gordel tegen het natte veengebied in het westen. In deze regio komt men dat woord wel tegen in de Beltsesteeg die in Zeist werd genoemd.

In de negentiende eeuw gebruikten de Gedeputeerde Staten overigens de deftiger naam De Bildt, maar het gemeentebestuur bleef trouw aan de oude naam De Bilt. Pas in 1937 gaf het provinciebestuur het op.

DAB

Literatuur:

H.T.J. Miedema, De Bilt en de Hoolbilt in Utrecht, in: Naamkunde, Mededelingen van het Instituut voor naamkunde 1979. Lees het hier .

J.W.H. Meier, Oostbroek en De Bilt, oorsprong en betekenis van de namen, in: De Biltse Grift 1992.

Ph. J. C. G. van Hinsbergen (ed.), Bronnen voor de geschiedenis van Zeist I p. 28.