In 1827 kocht Godert baron van der Capellen (1775-1848) het landgoed Vollenhoven. Van der Capellen had zich als gouverneur-generaal van Nederlands Indië uitgesproken tegen onderdrukking van de bevolking en slavernij. (Afbeelding: Slaven werken op het land, 1850. Anoniem. Rijksmuseum Amsterdam.)

 

Meer informatie

Vollenhoven en de slavernij: de families van Tuyll van Serooskerken en Munter

De baron was getrouwd met Jacoba van Tuyll van Serooskerken.  Een ver familielid van haar, François de Vicq (1646-1707), had grote belangen in de plantagekolonie Suriname. Haar nichtje Maria Henriette was getrouwd met de liberale politicus Eugène graaf van Bylandt (1807-1876), een van de voorvechters van de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën.

We lezen op de site ‘Mapping   Slavery’  over Van Bylandt:

 “Eugène was de secretaris-penningmeester van de Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij. Deze anti-slavernij vereniging had op zijn hoogtepunt in 1857 ongeveer 670 leden, waaronder bijvoorbeeld politici zodat het uiteindelijke publiek veel breder was. De leden hielden lokale bijeenkomsten en gaven een tijdschrift uit. Dit tijdschrift bevat artikelen met argumenten tegen slavernij en discussies rond de manier waarop de afschaffing geregeld kon worden.”

Voor meer  over de familie Van Tuyll van Serooskerken en de slavernij klik men HIER.

In 1792 kreeg de Amsterdamse regent Gerard Munter Vollenhoven in bezit. Zijn familie investeerde zwaar in de slavenhandel. Voor meer daarover klik met HIER.

 

Over Vollenhoven en Godert baron van de Capellen klik men HIER voor meer informatie.

Het huis Rustenhoven in Maartensdijk

In 1793 kocht Jan de Rovere van Breugel (1757-1829) de Maartensdijkse buitenplaats Rustenhoven. Hij zou tot 1890 in handen blijven van de aanzienlijke familie Van Breugel. Jan was lid van de Utrechtse vroedschap tussen 1792 en 1795. Zijn steun aan de Oranjes leverde hem in 1815 het adelspredicaat jonkheer op. De nieuwe edelman hoorde tot een aanzienlijk geslacht, dat een aandeel had in twee Surinaamse koffieplantages. Het ging om twee omstreeks 1750 door Pieter Cocq opgerichte plantages:  Kocqsdam (later Clifford Kocqshoven  geheten) en  Kokswoud  (Kocqswoud), respectievelijk aan de Warappa en Pericakreek, 215 en 67 hectares groot. Jan was een verwant van Catharina Jacoba van Breugel die korte tijd getrouwd was met de zoon van Pieter Cocq, Simon Banning Clifford Cocq. Die volgde zijn vader als eigenaar op. Simon overleed in 1804. Catharina’s huwelijk met Simon Banning Clifford Cocq leverde de familie Van Breugel bij vererving in 1804 een aandeel van respectievelijk voor 50% en 13 procent op in Kocqshoven en Kocqswoud.  In de database Suriname Plantages worden M.A. van Breugel en A.M. van Breugel in 1819 als mede-eigenaren van de twee plantages genoemd. De laatste is mogelijk de op Rustenhoven overleden Anna Maria de Rovere van Breugel, dochter van Jan de Rovere van Breugel. (1793-1874.) Voor meer informatie klik men HIER.

 

De ambachtsheer van De Bilt, Floris Petrus van Ewijck 1739-1813) en de slavernij

 

Deze regent had aandelen in de zogenaamde Utrechtsche Compagnie, die op zijn beurt investeerde in de grote koffieplantage Utrecht met 121 slaven. Er was veel sterfte op de plantage en de arbeidsomstandigheden waren hard. Voor meer hierover: klik HIER.

 

Christiaan W.J. baron van Boetzelaer van Dubbeldam  (1806-1872) en de bekering van (voormalige slaven).

 

Deze edelman – echtgenoot van de erfgename van Sandwijck en eigenaresse van Eijckenstein Elisabeth Charlotta Petronella Both Hendriksen – maakte zich sterk voor de zending onder (voormalige) slaven en heidenen in Suriname. Voor meer hierover: klik HIER.

 

De laatste heer van Achttienhoven en zijn slaven houdende familie

 

De moeder en oom van Frederik Willem van Nassau Weilburg (1768-1816), heer van Achttienhoven, hadden een ‘bediende’ uit Afrika in dienst. Voor meer hierover: klik HIER.

 

De familie Taets van Amerongen en de plantage Meerzicht

Wie vanuit Paramaribo naar de overzijde van de Surinamerivier kijkt, ziet Meerzicht, waar vanaf de late zeventiende eeuw een suikerplantage met dezelfde naam te zien was. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 kregen 64 aandeelhouders van deze plantage een vergoeding. Onder hen was ook Joost baron Taets van Amerongen (geboren in 1832 in De Bilt).  Hij trouwde in 1855 in Utrecht met de in Amsterdam geboren Hortense Catharina Maria van de Poll (1831-1915), een afstammeling van de in de Amsterdamse bankier en burgemeester Harmen Hendrik van de Poll (1697-1772). Die naam viel al bij de bespreking van diens verwant mr. Jan Wolters van de Pol (bezitter van Jaglust en Meijenhage) in de vorige post over slavernij. Een van de voorvaderen van Joost,  de Amsterdamse bankier en burgemeester Matthijs Straalman (1722-1808), was ook een aandeelhouder van Meerzicht. Via vererving had Joost zijn aandelen in handen gekregen.

 

Veronachtzaamde lieu de mémoire? Het kerkhof bij de Biltse dorpskerk

Op het kerkhof bij de dorpskerk in De Bilt treft in de eerste rij aan de noordzijde van de kerk het graf (zonder grafsteen) van prof. Jan Ackersdijk (1790 – 1861) aan.  Elders op deze site schrijft Wim Krommenhoek:

Het woonhuis van Jan Ackersdijk aan de Oude Gracht 382 was vanaf 1840 iedere maandagavond de verzamelplaats van de leden van de abolitionistische beweging. (De beweging voor afschaffing van de slavernij)/ Hier was ook de predikant-schrijver Nicolaas Beets een geziene gast. De liberaal Ackerdijk wilde hiermee een bijdrage leveren aan een betere manier om politiek en maatschappij samen te laten gaan. Daarin paste zijns inziens geen slavernij. De beweging trad naar buiten met het uitgeven van de publicatie Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën, bijzonder betrekkelijk de vrijlating der slaven. Ackersdijk maakte de afschaffing der slavernij in 1863 niet meer mee; hij overleed twee jaar daarvoor in 1861.”

Ackersdijk hield zich overigens al vroeg met het verschijnsel slavernij bezig, ook in de Nederlanden. Dat blijkt uit een werk uit 1818 over de middeleeuwse situatie: ‘Aanmerkingen over de middelen waardoor in de Nederlanden de slavernij langzamerhand vernietigd is, de staat der dorp- of landluiden verbeterd en de landbouw bevorderd is.’ Voor meer over Ackersdijk: klik HIER.

 Het huis Beukenburg

Op de site ‘Mapping   Slavery’ lezen we:

‘[Het landgoed Beukenburg in Groenekan is] lange tijd in bezit geweest van de familie Quarles van Ufford. Cornelia Johanna Sara van Limburg Stirum (1827-1914), vrouw van Eduard Quarles van Ufford, werd bij de Emancipatie van 1863 gecompenseerd voor het verlies van vrijverklaarde slaven. Ze was, net als andere familieleden, voor 1/216 eigenaresse van de plantage Tout lui faut in Suriname. Jacob Karel Willem Quarles van Ufford (1818-1902) schreef daarentegen in 1857 het artikel ‘Nog iets over de voorstellen der Staatscommissie’ in het ‘Tijdschrift uitgegeven vanwege de Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij’. Slavernij moest uiteindelijk afgeschaft worden, maar het was van belang dat de ‘vrijgelatenen zich aan geregelden arbeid gewennen, en dat de kolonie zich door de emancipatie niet van arbeiders berooft zie’. Er werd in deze tijd vaak betoogd om de afschaffing van slavernij uit te stellen, waardoor slaven beter behandeld zouden worden en het belang van arbeid zouden kunnen gaan inzien.’

Voor meer informatie over Beukenburg en de slavernij klik men HIER.

 

Meer informatie over De Rovere van Breugel: Susan Legêne, De bagage van Blomhoff en Van Breugel, Japan, Java, Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur van het imperialisme (Amsterdam 1998).

AD

 

Afrikaanse familie wordt gescheiden door Europese slavenhandelaren, John Raphael Smith, naar George Morland, 1791. Rijksmuseum Amsterdam.