De Biltsche Tapijt- en Touwfabriek in Bilthoven heeft maar kort bestaan. Hij stond bij de splitsing van de Julianalaan en de Paltzerweg op het Jodenkerkhof. Hierboven: een aandeel in het bedrijf.

 

Meer informatie

De uit Haarlem afkomstige Van Wickevoort Crommelin bouwde samen met de uit Amsterdam afkomstige heer Van Velzen de Biltsche Tapijt- en Touwfabriek. Het was een omvangrijk complex. In diezelfde periode kocht een Amsterdamse onderwijzer Franciscus Tusch een stuk grond en bouwde aan de Lange Buurt meerdere éénkamerwoningen. Ook het personeel van de Biltsche Tapijt- en Touwfabriek maakte hier gebruik van. Tusch bouwde er in 1880 ook een ziekenhuisje en in 1886 een kerkje. Het ziekenhuisje heeft tot 1892 gefunctioneerd en diende daarna als woning en vervolgens varkens- en kippenhok. Het werd in 1957 afgebroken. Het kerkje heeft tot 1915 dienst gedaan. Afbeelding onderaan: een situatieschets.

Op 22 december 1875 werd de Biltsche Tapijt- en Touwfabriek ingeschreven bij Kamer van Koophandel onder vermelding van het doel: “De oprichting en exploitatie eener fabriek, ter vervaardiging van tapijten, matten en ander weef- en vlechtwerk, touwwerk, het spinnen van koehaar en andere garens, zoowel voor eigen loon als voor eigen rekening”. In 1876 gaf de onderneming aandelen uit ter grootte van een maatschappelijk kapitaal van 60.000 gulden.

Voor de aandrijving van de machines in de fabriek was een stoommachine nodig. In 1875 diende de directie van de fabriek bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht een verzoek in voor het plaatsen van een 6 pk stoommachine op Bilts grondgebied. Ook in die tijd moest een ‘hinderwetvergunning’ worden afgegeven. De buurtbewoners konden ook toen al bezwaren indienen. Uit de archiefstukken van de gemeente De Bilt blijkt dat op 18 maart 1875 de volgende voorwaarde door een bewoner in de omgeving van de fabriek werd gesteld: ” dat als een stoommachine in de fabriek aangebracht wordt, de schoorsteen van dezelfde zoo hoog te laten opmetselen dat de vonken die dikwijls ver weg gevoerd worden door de wind geen nadeel van brand in de Sparre Bosschen der aangelande eigenaren zouden kunnen veroorzaken”. Ook opperde een buurtbewoner dat de schoorsteen minimaal veertien meter hoog moest zijn en een ander eiste dat er een vonkenvanger op de schoorsteen moest komen. Uiteindelijk werd dit ook zo gerealiseerd.

Er waren twee touwbanen, een spinnerij en een weverij, magazijnen en een kantoor. In de fabriek werkten ongeveer 30 werklieden.

De zaak ging echter niet goed. In 1880 werd de concessie voor het laten werken van de stoomketel niet meer verlengd. Vanaf dat moment werd er niet meer geproduceerd, maar de verkoop van producten ging wel door. De machines en gereedschappen voor de productie gingen in de verkoop. In1887 werd de fabriek opgeheven en de gebouwen werden kort daarna afgebroken. In 1894 verkocht een van de firmanten, Van Wickevoort Crommelin, de bijbehorende gronden en behoorde de Biltsche Tapijt- en Touwfabriek definitief tot het verleden.

JJR

 

Literatuur:

Archief Gemeente De Bilt, jaarverslagen 1875 en 1876.

Archief Historische Kring D’Oude School. Illustraties De Oude School.

R. Miedema. en E. Drees, ‘’t Jodendom in Bilthoven’, 2012.

Historische Kring D’Oude School, ‘Honderd jaar Bilthoven’, 2017.

Utrechtsch Dagblad 17 februari 1876.