
Vanaf 1881 was in de Provincie Utrecht en ook in De Bilt de Compagnie des Eaux d’Utrecht, later de Utrechts(ch)e Waterleiding Maatschappij (UWM) actief, een Belgisch bedrijf. [Het hulpstation van de Biltse waterleiding in 1923, afbeelding in: ‘Compagnie des Eaux d’Utrecht 1881 20 Décembre 1931.]
Het bedrijf ontstond in 1881 uit een Belgische onderneming, in Luik, de Compagnie General des Conduites d’Eau. Dit bedrijf vervaardigde buizen voor waterleidingen en legde ze aan, onder meer in Parijs. Voor de stad Utrecht en omstreken, dus ook De Bilt wist het bedrijf de opdracht te krijgen tot de aanleg, financiering en exploitatie van de waterleidingen. Een en ander staat beschreven in een brochure: ‘Compagnie des Eaux d’Utrecht 1881 20 Décembre 1931’, ‘De geschiedenis van de Utrechtse Waterleidingmaatschappij van 1881 tot 1923’. Wie het originele Franse exemplaar wil lezen klikke aan: Compagnie des Eaux d’Utrecht 1881 20 Décembre 1931.
Hierna volgt een vertaling in het Nederlands van die stukken in de brochure die op De Bilt slaan:
‘[1881/2] Al spoedig werd een contract gesloten met de gemeente De Bilt om water te leveren aan de inwoners van deze plaats, die in die tijd in wezen uit één enkele straat bestond. Dit water werd aangevoerd via een aftakking op de hoofdleiding, die door deze gemeente liep. […] Op 31 december 1882 waren in Utrecht 200 waterleveringscontracten afgesloten, 6 in Soest en 2 in De Bilt; op 21 april 1883 was het totale aantal al gestegen tot 310.’
[1898] ‘Ook De Bilt bloeit op – of beter gezegd: de omgeving van het station De Bilt. Dit lag op ongeveer vijf kilometer van het dorp en was vroeger slechts een halte waarvan weinig mensen gebruikmaakten, behalve militairen die er uitstapten voor schietoefeningen en andere activiteiten. Rond het station kwamen terreinen beschikbaar voor de bouw van villa’s. In 1900 legde de waterleidingmaatschappij een hoofdleiding aan, die liep van De Bilt naar het station, zonder zich er echter van bewust te zijn dat zich in de loop der jaren in dit gebied een hele nederzetting zou ontwikkelen.’
‘De Bilt, dat bij het begin van de exploitatie slechts een klein en onbeduidend dorp was — weliswaar voornaam, maar met weinig inwoners — ontwikkelde zich al snel tot een plaats met meer dan 11.000 inwoners, dankzij de toestroom van bewoners in de omgeving van het station De Bilt. Dit station werd al spoedig door de spoorwegadministratie hernoemd tot Bilthoven, een naam die tegenwoordig voor dit hele deel van de gemeente wordt gebruikt.’
‘hiervoor schreef ik [schrijft de auteur] over de uitbreiding die De Bilt in de richting van Bilthoven doormaakte. De watervoorziening werd daar nog steeds gevoed door de hoofdleiding die in 1900 van De Bilt naar Bilthoven was aangelegd. Het was te voorzien dat deze leiding op een gegeven moment onvoldoende zou zijn. Daarom moest men op een andere manier in de watervoorziening van De Bilt voorzien.
‘Men was van plan een nieuwe waterwinning voor deze gemeente aan te leggen en al snel werd een terrein gevonden waar goed water kon worden gewonnen. De afspraken die de maatschappij met De Bilt had, waren echter zeer gebrekkig. Van een echte concessie was geen sprake, en voordat men de plannen voor een nieuwe waterwinning kon uitvoeren, moesten de verhoudingen tussen de maatschappij en de gemeente duidelijk worden vastgelegd. De onderhandelingen begonnen in 1925 en werden in 1926 afgerond. Het nieuwe contract met De Bilt werd ondertekend op 6 juli 1926, zodat De Bilt sinds die datum beschikt over een zelfstandige watervoorziening.’
AD