De openbaarmaking van de boodschap waarmee de Bourgondische hertog op 1 augustus 1449 het verbod om turf te steken in ‘zijn’ gebied extra onderstreepte, werd bepaald niet enthousiast ontvangen. Met name niet door het bestuur van Loosdrecht en de pastoors van Tienhoven, Maarseveen en Breukeleveen Dat gold ook voor de pastoor van de Westbroekers. [Portret van Philips de Goede, hertog van Bourgondië. Nicolas de Larmessin (I), ca. 1678. Rijksmuseum Amsterdam.]
De deurwaarder van de grafelijke raad van Holland, Jan van den Cruce, moest de hertogelijke boodschap aan de bewoners van het veengebied bij de grens van Holland en Utrecht bekend gaan maken. (Voor de tekst van deze opdracht klikke men HIER) . Hij deed verslag van de uitvoering van zijn taak, een ruime week nadat die hem opgedragen was, op 8 augustus 1449. Van den Cruce was eerst hulp gaan halen in Loosdrecht. Hij vroeg aan de schout en het gerecht van dat dorp een paar mannen mee om als getuigen van zijn actie in de andere dorpen op te treden. Hij kreeg echter geen enkele medewerking. De pastoors van de andere veendorpen weigerden vervolgens ook om de deurwaarder te helpen om hun parochianen te informeren. Van den Cruce moest maar naar de stad Utrecht gaan, naar de bisschop.
Ook in de Utrechtse St. Jacobikerk – Westbroek had toen nog geen eigen dorpskerk – ving de deurwaarder bot. Hierna volgt de hertaalde tekst van het verslag dat dat de deurwaarder schreef voor zijn opdrachtgevers in Den Haag, de leden van de hertogelijke raad.
‘Aan de hoge en machtige heren, mijn heren van de hertogelijke raad van mijn genadige heer, de hertog van Bourgondië, belast met de zaken van diens gewesten Holland, Zeeland en Friesland, residerende in Den Haag,
Jan van den Cruce, deurwaarder van de raadkamer van Holland, brengt u met alle eerbied, in dienstbaarheid en onderdanigheid het volgende ter kennis.
Hoogachtbare heeren,
Gelieve te weten dat ik, krachtens een open opdracht van mijn voornoemde genadige heer – waarvan een afschrift aan deze rapportage is gehecht – naar Loosdrecht ben gereisd, naar de schout en enkele leden van het gerecht aldaar. Ik heb hen verzocht mij bijstand te verlenen door mij twee of drie goede mannen mee te geven om naar het Sticht Utrecht te gaan, met name naar Breukelen, Maarssen en Westbroek. Daar moest ik de genoemde opdracht van mijn genadige heer – de onderstreping van het verbod om illegaal turf te steken – ten uitvoer brengen.
Die van Loosdrecht reageerden daarop met mij te zeggen, dat zij niemand met mij mee durfden te sturen naar het Sticht om daar als mijn getuige op te treden, omdat zij vreesden dat men hen dood zou slaan. Wel gaven zij mij een jongetje met een paard mee.
Daarbij kwam, hoogachtbare heren, dat de polderbewoners op grote afstand van elkaar wonen en daarom zou ik ze in mijn eentje bezwaarlijk bijeen kunnen roepen. Ook gaven sommigen met wie ik sprak het advies naar de stad [Utrecht] te gaan, want die stad ging het het meeste aan. [Met ‘Utrecht’ wordt met name het bestuur van het gewest daar, de bisschop c.s. bedoeld.]
[Daarna] […] ben ik naar Breukelen gereden, naar de pastoor daar. Ik heb hem gevraagd me aan te horen en een kopie van mijn opdracht in ontvangst te nemen, zodat hij de dorpelingen en de polderbewoners daarvan kennis kon laten nemen, zodat ze niet meer schade zouden gaan aanrichten [door illegaal turf te steken].
Hierop antwoordde de pastoor, dat dit hem noch de dorpelingen aanging, dat ik me maar moest wenden tot de geestelijkheid en burgers van Utrecht. Een kopie wilde hij ook niet hebben.
Vervolgens ben ik naar Maarssen getrokken, naar de pastoor aldaar. Ik toonde hem de brieven van de hertog. De pastoor zei toen: ‘Doe daar maar mee wat je wilt, want ik accepteer alleen maar opdrachten van mijnheer [de bisschop] van Utrecht].”
Daarna ben ik, hoogachtbare heren, naar de stad Utrecht gegaan, naar de pastoor van de St. Jacobikerk aldaar, want de inwoners van Westbroek gaan daar ter kerke. Ik heb hem mijn brief getoond en mijn boodschap overgebracht.
Zij [de pastoor c.s.] antwoordden mij dat zij geen kopie wilden aannemen noch iets [officieel] in de kerk afkondigen. Ze zeiden, dat ik naar de Dom moest gaan, naar de heren daar en aan hen mijn brieven tonen. Zij gingen over de kwestie, de dorpelingen van Westbroek niet.
Aangezien geen van deze pastoors een kopie heeft willen aannemen om de inhoud daarvan bekend te maken, heb ik [op de deur van] elk van hun parochiekerken zelf een kopie van de brief gespijkerd, opdat een ieder die zou kunnen zien en lezen. Om te bevestigen dat alles wat ik vertel ook echt gebeurd is bezegel ik deze verklaring, op de achttiende dag van augustus in het jaar veertienhonderdnegenenveertig.’
Voor de originele tekst klik men aan: de verklaring van de deurwaarder het graafschap Holland.
Bron: F.Th. Enklaar ed., Middeleeuwsche rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland (Utrecht 1932) pp. 317v.
AD