Omstreeks 1426 groeven de inwoners van Westbroek en Maarseveen de Nedereindse vaart, waar Westbroek grenst aan Maarseveen, in het uiterste westen van de gemeente De Bilt. (Afbeelding: turfsteken, ca. 1600, Claes Jansz. Visscher (II), 1608. Rijksmuseum Amsterdam.)

Meer informatie

 

In de veertiende eeuw waren de ontginning en de veenderij in het gerecht Westbroek in volle gang. Dat blijkt uit een aantal aktes in het Utrechts Archief. Ontginning en turfwinning gingen hand in hand en waren continue processen, die eeuwenlang doorgingen. De veenderij leverde brandstof op voor het dorp Westbroek en vooral voor de stad Utrecht. Voor het vervoer van turf waren kanalen nodig, zoals de Nedereindse vaart.

In 1426 wordt deze waterweg voor het eerst genoemd, als de Utrechtse raad het gebruik ervan verbiedt voor een ieder, die niet heeft mee gegraven of niet heeft meebetaald aan het onderhoud van de vaart. Kaspar Burman schreef in zijn Utrechtse Jaarboeken van de vyftiende eeuw, deel I (Utrecht 1750), bij het jaar 1426:

In het gerecht van Heer Franck van Borsselen in het kerspel (= gemeente) van Westbroek eene watergang door de landgenoten en buuren gemaakt en gegraven zynde, heeft de raade op den eersten maart verboden alle, die geene landgenoten of buuren zyn, die grifte (= vaart) te bevaren met hunne schouwen, tenzy ze mede hun aandeel in het graven, en maken en ook in het onderhouden van die grifte, betaalden.’

AD