Tijdens de burgeroorlog die in de Republiek in 1786/7 uitbrak, speelden ook de toenmalige media een rol van betekenis. Tot die media hoorden pamfletten, kranten en boeken, zoals de Haagse Correspondent waarin de spot gedreven werd met de aanval op een stelling van de stadhouderlijke troepen in september 1787. [Karikatuur van een Patriot op wacht, 1787. Anoniem. Rijksmuseum Amsterdam.]

 

Meer informatie

Over die aanval kan men meer lezen door HIER te klikken. Het  verhaal van de Haagse Correspondent, waarin de spot werd gedreven met de mislukte  actie van de Utrechtse patriotten bij De Bilt in september 1787, luidde, in hertaalde vorm:

‘‘Niets was mooier, baas Momus [de fictieve persoon waaraan de hierna volgende ‘brief’was gericht] , dan die verschrikkelijke aanval op De Bilt!

Luister: toen de vijanden daar een batterij hadden opgeworpen en de burgerij hen wilde vertrappen en verjagen, wat het ook mocht kosten, moest er weer een handvol zand aan te pas komen. Verdorie, men [d.i. de Utrechtse patriotten]  trok er op af met drieponders [geschut dat projectielen van drie pond afchoot] en begon een hevige kanonnade op zo’n afstand dat men eigenlijk drie schoten aan elkaar had moeten knopen om de vijand [de prinsgezinde troepen] te kunnen bereiken. Men keerde dus terug zonder vijand, batterij of wat dan ook geraakt te hebben.

Maar hoe verblind de burgerij ook was, zij zag wel dat dit spel niets voorstelde. Daarom volgde er een uitval, zo verschrikkelijk aangekondigd dat iedereen vast geloofde dat er geen man of muis van de vijand zou overblijven, dat de vijandelijke batterij aan flarden zou worden geschoten en De Bilt in brand zou worden gezet.

De beschieting en het bombardement begonnen zo woest, heet en angstaanjagend dat hemel en aarde leken te vergaan. Het zou zeker uiterst vernietigend voor de vijand zijn geweest, als er niet twee kleine fouten waren gemaakt: het kanon was te hoog gericht en men schoot bovendien ongeveer een half kwartier (zo’n honderdvijftig meter) naast het doel. Daardoor vielen er aan vijandelijke kant geen doden of gewonden en werd er geen andere schade aangericht dan dat hier en daar wat boomtoppen en takken werden afgeschoten.

De vijand moet een wonderlijk voorgevoel van dit alles hebben gehad, want de officieren maakten zich zo weinig zorgen over deze woedende aanval dat zij rustig hun pijp bleven roken en lachend een kop thee dronken. Af en toe lieten zij een schot lossen wanneer ons vuur wat verzwakte, enkel om het weer wat aan te wakkeren.

De burgerij begon te begrijpen dat dit net zo goed bedrog was als het vorige optreden, en het gemor werd algemeen. Het is bitter wanneer men niet langer blindelings kan geloven dat alles echte munt is. De Rijngraaf [commandant van de patriotse troepen in Utrecht] zag zelfs zonder bril dat er eindelijk eens knopen moesten worden doorgehakt, of men dat nu wilde of niet. Daarom werd het tijd het laatste bedrijf van dit treurige kluchtspel op te voeren: het verlaten van de stad onder het voorwendsel van naderende Pruisische troepen — of, eerlijker gezegd, het uitleveren van die stad en van Holland in handen van de vijand’

 Wie de originele brief wil lezen, klikke aan: Een fictieve brief over het bombardement bij De Bilt in september 1787.

AD

Bron:

De Haagsche correspondent. Deel II (Den Haag z.j.) (‘Schertsende Waarheid. Te bekomen bij Klaas Momus, meesterknegt van P Gosse Junior’) 194v.