In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw was turf niet alleen van groot belang voor de verwarming van het woonhuis, maar bijvoorbeeld ook voor de bakker en de bierbrouwer. De turftonder stelde vast, hoeveel belasting over de turf werd betaald. In de praktijk werd die functie vaak vervuld door een vrouw. Schilderij:  uitsnede uit Gezicht op de Oude Delft door P.C. La Fargue 1759, waarop we een turftonster aan het werk zien.

 

Meer informatie

In  het haventje aan de Biltse Grift kwamen ook schepen met turf om gelost te worden. Het turfschip was een platbodemschuit die gewoonlijk turf bevatte voor ongeveer 150 tonnen. Met deze vaten, die een vastgestelde en geijkte inhoud hadden, kon men meten hoeveel impost (accijns) de turfschipper moest betalen.

We weten hoe dat gebeurde in andere steden en dorpen. Op de turfschuit deden raapsters de turf in manden en turfhevers brachten de manden aan wal. De turftonster stortte het in de tonnen, waarbij de ton een paar keer moest worden opgeschud.

Per ton mocht de turftonster zowel van de leverancier als van de koper voor haar werkzaamheden 2 duiten per ton vragen. Daarmee hoorde zij bij de laagst betaalden in het dorp, net als de naaisters.

In De Bilt stonden in 1806 en 1807 als turftonsters vermeld Grietze Veenendaal, Grietze Hoogmoed, Jannigje van den Berg en de Weduwe Jan Staal.

DAB

 

Literatuur:

Dijkstra, W., Het ambt van turftonder (internet).

Gewin, E.E., De Bilt, een Utrechts dorp in vroeger eeuw, De Bilt 1917.

Nas, F., Bedrijvigheid in De Bilt rond 1800, in: De Biltse Grift september 2000.