W.A.G. van Everdingen, vele jaren arts-specialist bij de GG&GD te Utrecht, heeft zich sterk ingezet voor kankeronderzoek. In zijn privélaboratorium aan de Prins Bernhardlaan 4 in Bilthoven heeft hij vele uren doorgebracht. Jammer genoeg heeft al zijn inzet niet geleid tot een doorbraak in de genezing van kanker. Tekening: een portret van Van Everdingen naar een foto in het Eindhovensch Dagblad van 9 januari 1957.

Meer informatie

Dr. Van Everdingen, een neef van de bekende Biltse wethouder W. van Everdingen, werd geboren op 14 maart 1896 te Utrecht en overleed op vier mei 1973 op de Ockeghemlaan acht in Bilthoven. Na zijn middelbare school studeerde hij geneeskunde in Amsterdam en hij promoveerde in 1928 op een proefschrift getiteld Onderzoek omtrent de B.C.C. Daarna was hij tot 1934 werkzaam als assistent  bij het hygiënisch instituut Amsterdam en het hygiënisch laboratorium van Professor van Eijck in Utrecht en als bacterioloog bij het centraal laboratorium voor de volksgezondheid in Utrecht.

Een gefascineerde onderzoeker

In de periode 1934 – 1938 was hij werkzaam als gastonderzoeker in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis ,waarna hij in het laboratorium van Professor Noyens te Utrecht stofwisselingsonderzoek bij kanker deed. Hij raakte gefascineerd door het kankeronderzoek en dit zou hem niet meer los laten.  Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij het onderzoek voort in zijn eigen laboratorium in Bilthoven. Dit laboratorium werd in 1944 door oorlogshandelingen verwoest. Na de oorlog ging hij thuis op de Prins Bernhardlaan 4 in Bilthoven in zijn vrije tijd verder met zijn onderzoek. Hij werkte sinds 1945 als arts – specialist bij de GG&GD te Utrecht.

Van Everdingen richtte zich in zijn onderzoek vooral op enzympreparaten. Hij ontwikkelde in 1952  een oraal enzymconcentraat en een injectiepreparaat samen met het bedrijf Nourypharma dat in 1932 was opgericht en dat later opging in Organon. Ook werkte hij samen met de universiteiten van Keulen (voor longkanker) en Parijs (voor maag- en darmkanker) en Gent.

Een publicatie van de Universiteit Keulen in het medische tijdschrift Medizinische Klinik, waarin verslag werd gedaan van de resultaten met het enzympreparaat van Van Everdingen, maakte in Nederland veel los. Het leidde niet alleen tot veel publicaties in kranten maar ook de medische wereld kwam in beweging. In 1956 werd een commissie ingesteld die in opdracht van de landelijke organisatie voor de kankerbestrijding de methode Van Everdingen onder de loep moest nemen.

De commissie werd in goed overleg met Van Everdingen samengesteld  en kwam in april 1957 met haar bevindingen die in drie punten zijn samen te vatten:

  • De methode Van Everdingen geeft geen genezing. (Opmerking: van Everdingen zelf heeft dit nooit geclaimd!)
  • Ook zou de methode geen verlenging van de levensduur van de patiënt geven.
  • Wel werd door clinici een verbetering van de algemene toestand van de patiënt waargenomen.
  • De bevindingen zijn zodanig betekenisvol dat het gewenst is om onder nauwkeurige controle en beoordeling van de resultaten de behandeling met deze preparaten voort te zetten.

Op het onderzoek kwam allerlei kritiek, waarbij het belangrijkste punt was dat niet met de onderzoekers in Keulen, Gent en Parijs was gesproken en de beoordeling alleen op papier had plaatsgevonden en dat Van Everdingen met zijn middelen nooit genezing had geclaimd.

Na het rapport wordt weinig meer vernomen over de methode en in de moderne bestrijding van kanker wordt niet met deze aanpak of een afgeleide ervan gewerkt.

EvdV

 

Literatuur:

Algemeen Handelsblad 3 april 1957.

Gooi- en Eemlander 9 januari 1957.

Nieuwe Haarlemse Courant 9 januari 1957.

De Telegraaf 8 januari 1957.

Arnhemsche Courant 8 januari 1957.

Het Parool 2 april 1957.