
Op 10 maart 1532 werd de in Westbroek geboren wever Philips Wyntgenszn. in Amsterdam ter dood veroordeeld. [De lijken van de wederdopers op het Amsterdamse galgenveld, 1535. Rijksmuseum Amsterdam.]
Zijn misdaad was, dat hij behoorde tot de wederdopers of anabaptisten. Anabaptisten of wederdopers waren een sekte uit de tijd van de Reformatie, die zich na Luthers afscheid van de Rooms Katholieke Kerk in 1517 ook in de Nederlanden verspreidde. De aanhangers wezen de kinderdoop af en meenden dat alleen volwassenen gedoopt konden worden. Er vonden al vanaf 1525 vervolgingen plaats. Van 1532 tot 1535 ging een deel van de Nederlandse anabaptisten mee met een revolutionaire beweging onder leiding van de aanvankelijk lutherse Melchior Hoffman, die overigens tegen geweld was. De Haarlemse bakker Jan Matthijs was dat zeker niet. Hij maakte zich met zijn aanhangers in 1534 van de stad Münster meester en riep het Nieuwe Jeruzalem uit. Alle mensen die de wederdoop weigerden, moesten vertrekken. De wereldlijke en de religieuze gemeenschappen in de stad werden één geheel. Ook werden door Jan Matthijs de gemeenschap van goederen en de afschaffing van geld, schulden en rekeningen doorgevoerd. Het jaar daarop heroverde de katholieke prins-bisschop de stad Münster en werden de leidende wederdopers gruwelijk terecht gesteld. Hetzelfde jaar werd een dopers opstand in Amsterdam neergeslagen. Nadien trokken de doopsgezinden zich terug uit het openbare leven en zwoeren zij geweld af.
Dit alles zou Philips Wyntgenszoon van Westbroek niet meer meemaken. Hij werd in maart 1532 wegens „Luthery” (ketterij) onthoofd, terwijl zijn hoofd op een staak werd gestoken en zijn goederen verbeurd verklaard.
AD
Bron: Greta Grosheide, Bijdrage tot de geschiedenis der anabaptisten in Amsterdam (dissertatie Universiteit van Amsterdam 1938) 35v