Turf was als brandstof een eerste levensbehoefte. Het veen van Westbroek was een belangrijk winningsgebied. Het delven was zwaar werk, zoals op de prent te zien is. (Turfsteken, ca. 1600, Claes Jansz. Visscher (II), 1608. Rijksmuseum Amsterdam.) Onder de archiefstukken over Hendrick Hendricksz. van Haestrecht bevindt zich een unieke getuigenis uit 1579.  Het betreft het verhaal van een ruzie die de pastoor maakte met George van Lalaing, graaf van Rennenberg, en met een dorpsgenoot.

 

Meer informatie

Het was niet de eerste keer dat de heer van Zuilen ruzie maakte met de Westbroekers over de turfwinning. Een voorvader van Van Lalaing schreef al in 1536 dat er langlopende twisten waren over de turfwinning met ‘de buren’ van Westbroek.  In mei of juni 1579 wees Van Haestrecht aan Peter Schay een stuk veen aan, waar nog turf gestoken zou kunnen worden. Het zou een twistappel worden tussen de graaf Rennenberg,  de heer van Zuilen en Westbroek, en de Westbroekse pastoor.

Op 21 december 1579 legde Willem Schay – kennelijk een familielid van Peter Schay – een getuigenis af bij de Utrechtse notaris Van Herwaerden. Hij vertelde op verzoek van pastoor Van Haestrecht, dat hij samen met een kennis, Roeloff Gerritss. en met Yda Schay, de weduwe van de inmiddels overleden Peter, op 6 december 1579 na de hoogmis langs was gegaan in de kerkbij de Westbroekse pastoor. Ze moesten eens praten, vond ook Van Haestrecht. Het gesprek dat volgde, werd in het huis van Van Haestrecht voortgezet en mondde uit in een woordenwisseling over het delven van turf in een half jaar eerder door de pastoor  aangewezen perceel. Yda had nadien echter van de vertegenwoordiger van de graaf vernomen, dat ze daar illegaal turf  zou steken. Het was immers grond van Rennenberg! De diefstal moet stoppen. De graaf had gedreigd met maatregelen tegen het ‘gesteel’: hij zou zich  als wraak gebied van de kerk, enkele hectaren veengrond bij het Westbroekse Nedereind, willen toe eigenen. De graaf had elders al eens een dergelijke actie ondernomen.

Vervolgens haalde Yda een brief van de graaf tevoorschijn, waarin zij werd gesommeerd zich te gaan melden en te verantwoorden bij de kastelein van slot Zuylen, de schout van Westbroek en een zekere Willem Martensz. Yda wilde toegeven aan de eis van Rennenberg, maar daar had Van Haestrecht geen zin in. Uitleggen ja, capituleren nee. Hij wilde de kastelein en Martenss. informeren en indien nodig de zaak juridisch uitvechten, maar de schout vertrouwde hij niet.

De ruzie liep hoog op. Uiteindelijk stelde de pastoor aan Yda voor de bemiddeling in te roepen van enkele door haar en Van Haestrecht aan te wijzen ‘goede mannen’. Yda stemde in, maar liet vervolgens niets meer van zich horen. Voor de transcriptie van het originele stuk (met toelichtingen in de tekst) en een afbeelding ervan, klikke men aan: ruzie over veen en turf.

Ruzie over turf hoorde in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd in Oostveen en Westbroek tot de orde van de dag. Meer hierover vindt men in een aantal posts op deze site, zoals Diefstal van turf in Maartensdijk. Of zoals in Maartensdijk, Hugo de Groot en Gooise wandaden. Uitgebreid handelt het e-book Spionnen in het veen over strijd om het veen. omstreeks 1500. Over de exploitatie van het veen in veertiende eeuw leest men meer in de post  Schout Henric Dusinc stelt een pacht-akte vast: 1371.   Over de late middeleeuwen handelt: Westbroeks eerste pastoor en de verveningen in 1506.

Voor het vervolg van deze reeks over het archief van de Westbroekse pastoor Hendrick van Haestrecht klikke men DEZE LINK aan. Om terug te gaan naar het begin van deze reeks klikke men DEZE LINK aan

AD

Literatuur:

Utrechts Archief,  toegang Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905, 34-4.6 inventaris nr. 5, akte 267 (21-12-15790 en idem, nr. 6 (30-5-1580).

Utrechts Archief, toegang 223, Kapittel van Oudmunster, nr. 2716-2.