In de dorpen van de gemeente De Bilt bestond bij de geboorte van een veulen het gebruik om het haam in de boom te hangen. Met het woord ‘haam’ bedoelde men niet alleen het halsjuk van een paard, maar in dit geval de nageboorte of placenta. Foto: Meisje met veulen, een beeld van Charles Weddepohl uit 1954 aan de  Tolakkerweg in Hollandsche Rading. (Foto Wikipedia)

 

Meer informatie

Steven Evertse (geboren in 1882 in Groenekan) vertelde over het gebruik.

‘Als er een vullen geboren wierd, hingen ze het hoam in een appel- of pereboom, totdat het er vanzelf uitviel. Dat deden ze omdat het anders de kop noar beneden zou houwen. Het spreekwoord zei: het haam in de boom, hoe hoger de kop hield as het peerd ouwer wier. ’t Was vanouds zo ’t gebruik. De boeren sloegen er geloof an.’

Op de boerderij bij Herman Liefting  ((1896), een boerenknecht uit Maartensdijk, kozen ze voor een ander type boom. Hij vond dat dit bijgeloof strijdig was met het christelijke geloof.

‘Het liefst een eikenboom, dan droeg later het paard z’n kop hoog. ’t Was een soort van bijgeloof, maar ze deden het allemaal. Ook de boeren die op zondag twee keer ter kerke gingen. Ik heb het als knecht vaak gedaan. De baas, zo noemden wij onze boer, wilde dat het haam opgehangen zou worden en toch was hij een christelijk mens.

Anderen waren juist gewend om het haam te begraven. Jannigje Stormbroek-van Kooi uit Hollandsche Rading (1891) vertelde wat zij ervan wist. Er bleek een verband te zijn met de moederkoek bij mensen.

‘Als er een veulen geboren werd, werd het haam direct begraven. Onmiddellijk, anders werd het geen goed paard en werd het ziek. Ook als er een kind geboren werd, dan moest de man de nageboorte direct begraven, anders ging het niet goed. Mijn grootvader vertelde het vroeger zo, toen wij nog zulke kinderen waren.’

Deze variaties van ophangen en begraven komt men ook elders in het land tegen. Het Meertens Instituut signaleerde ruim honderd gevallen, vooral in Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Zuid-Holland. Het doel was altijd tegengaan dat het veulen ziek werd en bevorderen dat het de kop hoog hield. Uit het aantal vermeldingen zien we wel dat paarden heel belangrijk waren voor het leven van de bevolking. Spreken over het ‘hoofd’ van een paard in plaats van de ‘kop’ werd pas in de twintigste eeuw een gewoonte.

DAB

 

Literatuur:

Heupers, E. (ed.), Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe, 3 dln., Amsterdam 1981, 1984 nr. 1028, 1292, 1305, 1881, 1894, 1964, 3404.