De hier afgebeelde vroeg zestiende-eeuwse tekst heeft alles te maken met de relatie van Oostbroek met Ierland. (Foto: dr. G.M. Landman)

 

Meer informatie

In keizerin Mathilde’s oorkonde van 1122 kan men lezen, dat twee ridders in een moerasgebied dat Oostbroek heette, een klooster stichtten (zie: Een oorkonde voor het klooster Oostbroek). We kennen hun namen uit een oorkonde van de Utrechtse bisschop Godebald uit 1125: Hermannus et Theodericus. Deze namen komen ook voor op een stukje perkament dat de verwoesting van de abdij Oostbroek in de late zestiende eeuw overleefde. Het dook op in de vroege negentiende eeuw. Daardoor weten we, dat ridder Theodericus ‘de Algo’ wordt genoemd. De zeventiende eeuwse kerkhistoricus Van Heussen, die waarschijnlijk handschriften van Oostbroek in handen heeft gehad, merkte daarbij op, dat één van de twee ridders hetzelfde had beleefd als Sint Patrick en in een visioen het vagevuur had doorleefd. Wellicht betrof het Theodericus.

Sin Patrick was een Ierse heilige uit de vijfde eeuw na Christus. Het verhaal van het door hem doorstane ’vagevuur’ ontwikkelde zich tot een legende. Deze legende had als plaats van handeling een grot op het eilandje Lough Derg. Dat lag in een meer in het Ierse graafschap Donegal. Dit oord werd in de middeleeuwen een bekende bedevaartsplaats, waar berouwvolle zondaars een voorproefje konden genieten van de hel. Als ridder Theodoricus Lough Derg bezocht heeft, zou hij van Ierse komaf kunnen zijn geweest. De toevoeging de Algo kan immers mogelijk een vervorming van ‘[dunn] na gall’ zijn, de Keltische naam van Donegal.

De relatie van Oostbroek met Ierland komt heel sterk naar voren in de Chronicarum Hollandiae, Zelandiae et Frisiae. Dit werk werd in 1508 geschreven door Henricus Goude, monnik in het klooster Thabor in Sneek. In 1522 werden, nadat Hendrik onderzoek had gedaan in archieven in Utrecht, Leiden en Brussel, uitbreidingen aan de kroniek toegevoegd. Het handschrift bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek van Groningen. Op de getoonde afbeelding ziet men de Latijnse tekst van Hendrik over het ontstaan van Oostbroek

Godebaldus episcopus Friso nacione construxit monasterium ordinis sancti Benedicti in Oestbroeck extra muros civitatis Traiectensis auxilio cuiusdam militis qui fuerat in purgatorio sancti Patricii. Et dimissa uxore ea consenciente ibidem habitum religionis cum isto episcopo assumpsit, in quo morientes ambo sepulti sunt.

De vertaling luidt:

Bisschop Godebald, Fries van geboorte, heeft een klooster gebouwd van de orde van St. Benedictus in Oostbroek, buiten de muren van de stad Utrecht. Hij deed dat met de hulp van een zekere ridder, die in de louteringsgrot van St. Patrick was geweest. Nadat deze ridder zijn vrouw – met haar instemming – had weggezonden, heeft hij daar met deze bisschop de monninkspij aangetrokken, waarin beiden [Theodericus en de bischop ] zijn gestorven en begraven.

Henrics verhaal is geen exact relaas, integendeel. De tweede ridder schijnt in deze latijnse bron verdwenen te zijn; ook duikt hier opeens Godebald als medestichter op. Zoals we zagen was Henricus Goude echter een vorser, die zijn werk op bronnen baseerde. En die bronnen brachten hem vier eeuwen na dato op de Ierse relatie.

AD

U bevindt u op de Rondleiding over de kloosters in De Bilt. Voor het vervolg klik HIER

 

Bronnen: G.M. Landman, De Ierse wortels van de abdij van Oostbroek, in: De Biltsche Grift (december 2011) 98-103; R. Steensma, Het klooster Thabor bij Sneek en zijn nagelaten geschriften (Leeuwarden 1970), pp. 122-133.

Zie ook: Het Biltse Hoogkruis in het Van Boetzelaerpark.