Afgebeeld is de minister van Justitie Cornelis Frederik van Maanen (1769-1849). Onder koning Willem I (1815-1840) werden de Afgescheidenen vervolgd omdat zij buiten de officiële hervormde staatskerk als illegaal bestempelde bijeenkomsten hielden, ook in Maartensdijk en omgeving. De afbeelding komt uit de collectie van het Kunstmuseum Den Haag (public domain).

 

Meer informatie

Wat er in Maartensdijk in 1836 gebeurde weten we uit twee brieven van juni en juli 1836 van F. C. Muysken aan Van Maanen. Muysken was vrederechter in Maarssen en woonde aan de Achterweteringseweg, op het inmiddels verdwenen buiten Noordheide. Muysken was een van de initiatiefnemers van de Maartensdijkse tolweg tussen het Gooi en Utrecht. We drukken hierna beide brieven af. Ze illustreren  hoe Muysken de gemoederen rustig hoopte te houden: de Afgescheiden beweging stimuleerde volgens hem onrust in Maartensdijk en omgeving. Er valt echter ook in te lezen, dat een Maartensdijkse boer last had van werklui aan de spoorweg Amsterdam-Utrecht, waar kennelijk al in 1836 aan gewerkt werd.

De eerste brief van 14 juni 1836 laat Muyskens zorg voor het woeste optreden van Maartensdijkers zien – gedrag dat door de Afgescheidenen zou zijn bevorderd. Muysken geeft daarbij de namen van de voornaamste Afgescheidenen dan wel betrokkenen. In de tweede brief van Muysken aan Van Maanen, van 11 juli 1836, beschrijft hij een bezoek aan een godsdienstoefening van de Afgescheidenen en vermeldt hij het hiervoor genoemde optreden van de arbeiders aan de spoorweg Amsterdam-Utrecht. Tenslotte meldde Muysken, niet ontevreden over zijn eigen optreden, dat hij door zijn houding en gedrag de onrust zeker niet had versterkt. Men vindt de tekst van deze brieven hieronder.

 

AD

 

Bron: H.T. Colenbrander ed., Gedenkstukken der Algemeene Geschiedenis der Nederlanden van 1795 tot 1840. Tiende deel, vijfde stuk. (Den Haag 1922).

Hieruit:

De brief van Muysken aan Van Maanen van 14 juni 1836 luidt:

Mijn vroegere vrees dat het aantal afgescheidenen toeneemt verwezenlijkt zich; nu alweder scheiden zich 3 à 4 geheele huishoudens in het naburig Westbroek af, behoorende tot de best gezetene landlieden dier plaats. Vroeger had ik de eer Uwe Exc. te melden dat 23 Januari l.l. te Maartensdyk ten huize van W. Schimmel byeenkomst was gehouden. Door ernst en gepaste vriendelijkheid is ’t mij gelukt de herhaling tot nu toe te beletten; ik geef steeds onder de hand te kennen, dat ik alle baldadigheden ten sterkste zou keeren, doch ook ten aanzien der vergaderingen geen haarbreed van myn plicht zal afwyken; dan, schoon ik daardoor tot nog toe de rust in Maartensdijk gehouden heb, vrees ik, daar het vuur hoe langer hoe meer ontbrandt en het getal grooter wordt, dat de voortduring van rust kort zal zijn; ten minste ik bemerk verlangen om in grooter getal bijeen te komen.

Een landman, B. van Voorst, heeft bij zich ingenomen een huishouden dat de heer Huydecoper van Maarsseveen van zijn plaats te Eemnes heeft doen vertrekken om hun godsdienstig onrustig gedrag, en deze van Voorst wil in zijn huis ruimte maken tot groote godsdienstige byeenkomsten. Ook moet men over gelden kunnen disponeeren, en aanhang zoeken; in Maartensdyk zijn er al die weekgeld trekken, en aan anderen is het aangeboden zoo zy zich bij hen voegen; zoo ook geschenken voor het by hen, en niet in de kerk, doen doopen van kinderen. Aan de andere zyde zyn er in Maartensdijk velen van woest gedrag, die gaarne onrust zouden maken, en waarvan vroeger reeds eenigen op de beide tegemoet zyn gegaan hun die uit eene byeenkomst kwamen, doch toen [tegen] elkander […] [aan] geloopen zyn. Ik begryp dat de behandeling der zaak, zoo er iets voorvalt, moeilyk wordt, vooral na de verschillende uitspraak der regtbanken, en dat de gevolgen gewichtig zijn kunnen.’

De brief van Muysken aan Van Maanen, van 11 juli 1836, luidt:

Zaterdagavond vernam ik dat den volgenden dag door eenen Jan van Barneveld in Achttienhoven bij Westbroek ten zijnen huize eene godsdienstige bijeenkomst, die men dacht dat talrijk konde zijn, zoude gehouden worden. Ik liet den gerechtsdienaar van het kanton, te Maartensdijk gestationneerd, aldaar blijven om toe te zien of de onrustigen [gevaar opleverden] […] en mij dan dadelijk te berichten; — mijn plaats is juist in ’t midden gelegen. Te meer wilde ik dit spoedig weten dewijl bij kennissen vele onrustigen uit Maartensdijk in Achttienhoven en Westbroek komen, waar dan dikwijls vechtpartijen voorvallen. Op Noordheide stelde ik orde dat ik spoedig berigt konde bekomen, en begaf mij alleen naar Achttienhoven; ik vond de vergaderplaats in een groot achterhuis bij J. van Barneveld; aan alle zijden stonden de deuren open.

Men had mij ver genoeg kunnen zien aankomen, en ik vermoedde dit, want op de werf liepen verscheiden mannen en vrouwen voor de deur waar de bijeenkomst gehouden werd. Binnenkomende zag ik 24 menschen vergaderd. Het getal van het huisgezin was ik te weten gekomen; buiten dit was het getal niet boven dat het Code Pénal [wetboek van strafrecht] bepaalt. Ik had dus den spreker, die de Tien Geboden las, niets te zeggen; men wees mij een stoel aan, verzen 1, 2 en 3 van psalm 32 werden opgegeven te zingen, ’t Code Pénal had ik bij mij; konde dit niet in de hand nemen; spoedig werd mij een psalmboek aangeboden, dat ik aannam, dus werd ik vanzelf in plaats van stoorder lid van eene [godsdienst]oefening; allen hielden ook na het zingen, onder het voorlezen uit een oud predikatieboek, dat wel gepast zoude hebben in een kabinet van oudheden, het hoofd ongedekt, ‘t geen ik ook deed; wyl ik niet oneerbiedig wilde schijnen bij eenige godsdienstoefening hoe dan ook; maar vrees voor oogontsteking die ik voor weinig weken vry hevig had, deed mij vreezen blootshoofds te lang tusschen vier open deuren te zitten; zoo ook de verveling van de voorlezing deed mij vertrekken, te meer daar in mijn bijzyn niemand der buiten de deur wandelenden binnentrad; — niemand heeft mij iets gezegd; ’t scheen dat er geen notitie van my genomen werd.’

Muysken vertrekt en schrijft:

Eenige boerderijen voorbijgegaan zijnde vond ik een landman op den weg, die mij binnen noodigde om mij de schade te doen zien in zijn hakhout voor eenige weken gedaan door die de ijzeren spoorweg van Amsterdam naar Utrecht afgebakend hadden. Ik zeide hem, dat hü, toen zij aan ’t werk waren, dadelyk by mij had moeten komen; doch ’t was hem meer te doen om met my te spreken. De man versprak zich; hij was zeker bij die buiten de deur geweest, want hij zeide mij, dat zoo ik hen uit elkander had willen doen gaan, de spreker mij zoude bewezen hebben dat geen der predikanten meer gereformeerd was. Zijn voornaam but [doel] scheen te zijn my te doen gevoelen, dat een groote meerderheid zich zoude afscheiden, en dan ook regt op kerkefondsen had […].

[Muysken vertelt Van Maanen dat de afgescheidenen volgens hem geen enkel recht hebben op geldelijke steun van de overheid en dat hij hoopt, dat ze daarom naar de hervormde kerk zullen terugkeren.] ‘

Gisteren avond kwam iemand bij mij, die mij verhaalde, dat de afgezonderden [Afgescheiden] in Achttienhoven genoegen gehad hadden in mijn bescheiden gedrag, en vooral dat ik de vorige Zondag mij tot des avonds laat in Maartensdyk had opgehouden, om acht op de onrustigen te geven, daar zij veel vrees voor schynen te hebben; ook waren zij zeer tevreden dat ik hun een blijk van vertrouwen gegeven had door geheel alleen bij hen te komen; zoodat ik in de opinie althans niet verloren heb, hetgeen van nut kan zijn voor de rust zoo die later gestoord mögt worden ...’.