In de late middeleeuwen was er op het platteland en in de dorpen maar weinig onderwijs. Als er al scholen waren, waren die meestal opgezet door de kerk of de parochie. De koster of een priester gaf les in lezen, vooral aan de hand van religieuze teksten. Vrijwel alle kinderen gingen maar korte tijd naar school omdat ze in de zomer op het land moesten werken.

In de dorpen

In Westbroek zijn de eerste aanwijzingen voor onderwijs pas aan het einde van de 16e eeuw te vinden. Voor Maartensdijk zijn er geen duidelijke vermeldingen van onderwijs vóór de Reformatie. De Bilt nam een bijzondere positie in door de aanwezigheid van de kloosters Oostbroek en Vrouwenklooster. Al in 1352 is er een vermelding dat priester Steven van Assche door Vrouwenklooster werd betaald om les te geven. Later droegen zowel Oostbroek als het gerecht van De Bilt bij aan de aanstelling van een schoolmeester.

Vanaf de Reformatie in de tweede helft van de 16e eeuw kreeg het onderwijs meer aandacht. Een belangrijke verandering was dat het officiële onderwijs onder toezicht kwam te staan van de gereformeerde kerk. De dorpen probeerden een vaste schoolmeester aan te stellen.

De meester

In Westbroek werd in 1593 tijdens een kerkvisitatie vastgesteld dat de koster ook onderwijs gaf. Later kwam er een echte dorpsschool. Ook in Maartensdijk bestond in de 17e eeuw een dorpsschool die verbonden was aan de kerk. In 1652 werd de hervormde kerk van De Bilt gebouwd, en daarbij verrees ook een school die later bekend zou staan als de ‘oude school’.

De dorpen De Bilt, Westbroek en Maartensdijk pasten in het algemene beeld van de dorpen in de provincie Utrecht. Dat betekende dat het onderwijs onder toezicht stond van zowel de kerkenraad als de plaatselijke overheid. Leerlingen van zeer verschillende leeftijd kregen een les in het enige school lokaal dat het door bereik was. De lessen werden gegeven door de koster, die daarnaast vaak meerdere andere functies vervulde.

De leerlingen

Voor boerenkinderen gold dat zij in de zomer niet naar school gingen, omdat ze dan op het land moesten helpen. Ouders betaalden schoolgeld, afhankelijk van het aantal vakken dat hun kinderen volgden. Lezen was het belangrijkste onderdeel van het onderwijs, niet alleen voor algemene vorming maar ook voor het aanleren van het ‘juiste’ geloof.

Uit de volgende artikelen zal blijken dat er ondanks deze overeenkomsten ook plaatselijke verschillen waren bijvoorbeeld in de nevenbetrekkingen die de koster had of het percentage leerlingen dat in de zomer toch naar school kwam. Daarnaast was er in de loop van de tijd een duidelijke ontwikkeling te zien: in de 18e eeuw werd het onderwijs geleidelijk regelmatiger en in sommige dorpen kwamen schoolreglementen tot stand.

DAB

U bevindt u op de Rondleiding over Onderwijs. Voor het vervolg klik HIER.