Jozef Israëls (1834 – 1911) schetste eind negentiende/begin twintigste eeuw de uitoefenaar van een verdwijnend beroep in een aquarel: de kleine, zelfstandige schoenenproducent. (Rijksmuseum Amsterdam). Van deze kleine ambachtslieden kende De Bilt er in 1795 acht.

 

Meer informatie

We lezen in Damsté’s  Bevolking en bebouwing van De Bilt en Bilthoven in 1795 (een E-boek elders op deze site):

Het grote aantal van maar liefst acht schoenmakers is opvallend, vooral als we bedenken, dat een groot deel van onze bevolking toentertijd meer van klompen dan van schoenen zal hebben gebruik gemaakt. Toch zijn die vele schoenmakers ook wel weer verklaarbaar. In de eerste plaats werd er natuurlijk veel meer gelopen dan tegenwoordig. Wie naar de stad moest en niet over een paard beschikte, was op zijn eigen benen aangewezen. […] De slijtage aan schoenen was dus veel groter dan tegenwoordig. Maar er was nog wat anders. Onze Biltse schoenmakers werkten ook voor de export. F. Nagtglas schrijft hierover in 1886 in zijn boekje „Voor Honderd Jaren”, uit de papieren van een tijdgenoot […]  waar hij het gildewezen bespreekt:

Zoo was het onder anderen verboden om in de stad nieuwe laarzen of schoenen te brengen. In het nabijgelegen dorp De Bilt oefenden eenige goede schoenmakers hun bedrijf uit, en leverden een paar schoenen [voor] een gulden minder dan in de stad. Wie nu iets noodig had, wandelde naar het dorp, om zich de maat te laten nemen, en ging er weder heen als het werk gereed was. Dan trok men de nieuwe schoenen aan, en kwam met de oude onder den arm ongedeerd langs het “verklikkershuisje” door de poort, daar men slechts gedragen schoenen medebracht, wat niet verboden was’.

AD

U bevindt u op de Rondleiding over nostalgie. Voor het vervolg klik HIER.