
Twee Latijnse oorkonden werpen licht op de bezittingen en rechten van het Vrouwenklooster Oostbroek in het gebied Geyn (thans gemeente Nieuwegein) en op de middeleeuwse organisatie van het dijkonderhoud van de IJssel daar. Geyn is aangegeven op deze kaart, bij de Lek, tussen Lopikkapel en Vreeswijk. (Utrechts Archief. Catalogusnummer 217851. Kaart van de hoge heerlijkheid Vreeswijk. Back, G.N., landmeter, 1694-1695.)
De eerste oorkonde, uit november 1272, handelt over een geschil tussen enerzijds de deken en het kapittel van de St. Mariakerk van Utrecht en anderzijds de priorin van Vrouwenklooster. Het geschil werd voorgelegd aan ridder Gerard van Rijn en de door de bisschop aangestelde rechter of schouwmeester van de dijk. Het betrof het onderhoud en de reparatie van de IJsseldijk van het genoemde Geyn, ‘ aan de zuidzijde, op een plaats die Helle werd genoemd’.
Na onderzoek door de belanghebbende omwonenden, die bij dergelijke schouwingen aanwezig moesten zijn, werd vastgesteld dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud en de reparatie van deze dijk rechtens bij de priorin en de nonnen van Vrouwenklooster berustte. De deken en het kapittel van de Utrechtse St. Mariakerk waren daarvoor niet verantwoordelijk. De ridder erkende deze uitspraak vervolgens publiekelijk ten overstaan van de bisschop, de prelaten en de gehele Utrechtse kerkelijke gemeenschap. De Utrechtse bisschop Johannes liet de beslissing in een oorkonde vastleggen en met zijn zegel bekrachtigen.
Tien jaar later, in 1282, in een tweede oorkonde bevestigde bisschop Johannes de uitspraak van 1272. Hij richtte zich tot maarschalk Sueder, Hendrik van Rijn – kennelijk familie en mogelijk erfgenaam van Gerard van Rijn -, de omwonenden en de dijkmeesters van de IJsseldijk van Geyn. In deze oorkonde stelde hij vast, dat de deken en het kapittel van de St. Mariakerk al geruime tijd door de belanghebbende omwonenden waren vrijgesteld van verplichtingen met betrekking tot de IJsseldijk bij Helle (een plaats die niet op kaarten teruggevonden werd) en het onderhoud en de reparatie daarvan. De bisschop verwees daarbij uitdrukkelijk naar de oorkonde van 1272. Hij wilde voorkomen dat het bestuur van de Mariakerk opnieuw zou worden aangesproken voor verplichtingen waarvan het volgens de eerdere oorkonden van 1272 was ontslagen. Intussen blijkt uit een oorkonde van 1278 dat de nonnen van Vrouwenklooster hun bezit in Geyn hadden, dus niet meer verantwoordelijk waren voor het onderhoud van de IJsseldijk.
Hierna volgt de hertaalde tekst van de twee relevante oorkonden (voor de originele tekst klik men aan: de oorkonden van 1272 en 1282.
Betreffende het onderhoud en herstel van de dijk bij Geyn (1272)
Johannes, door Gods genade gekozen bisschop van Utrecht, maakt aan allen die deze brief zullen zien bekend:
Toen er een geschil was ontstaan tussen enerzijds onze geliefden, de deken en het kapittel van de kerk van Sint-Marie te Utrecht, en anderzijds de priorin en het convent van het klooster te Oostbroek, voor Gerard van Rijn, ridder, rechter of schouwmeester van de dijk, die destijds door ons in die functie was aangesteld, over het onderhoud en herstel van de dijk bij Geyne, aan de zuidzijde [bij de IJssel], op de plaats die Helle wordt genoemd, en op de aangrenzende plaatsen, is uiteindelijk door allen die umbesaten [omwonende belanghebbenden] worden genoemd – degenen die gewoonlijk bij een dergelijke schouw aanwezig zijn en daartoe verplicht zijn – erkend en vastgesteld dat het onderhoud en herstel van de genoemde dijk rechtens voor rekening was geweest aan de voornoemde priorin en de nonnen van Oostbroek, dan wel aan hun klooster, en niet voor de deken en het kapittel van de genoemde Sint-Mariakerk.
Dit heeft de genoemde ridder Gerard in het openbaar erkend tegenover ons, de prelaten en de gehele Utrechtse kerk. Als getuigenis hiervan hebben wij deze brief laten opstellen en met ons zegel laten bekrachtigen. Gegeven in het jaar des Heren 1272, in de maand november.
Bevestiging van de oorkonde van 1272
Johannes, door Gods genade gekozen bisschop van Utrecht, aan maarschalk Sueder, aan Hendrik van Rijn en aan de omwonenden en schouwmeesters van de dijk bij de IJssel in het gebied van Geyn, heil in de Heer.
Aangezien de deken en het kapittel van de Utrechtse Mariakerk reeds geruime tijd geleden zijn vrijgesteld van het onderhoud van de dijk bij Helle en van het herstel daarvan – dat blijkt uit onze eerder hierover opgestelde oorkonden – willen wij volstrekt niet dat zij met betrekking tot deze dijk en het herstel ervan worden lastiggevallen, in strijd met hetgeen al eerder is besloten en in onze oorkonden is vastgelegd. Wij beschouwen een daarvan afwijkende opvatting , voor zover die in strijd met het recht, als niet geldig. Gegeven te Utrecht in het jaar des Heren 1282, op de dag na het feest van de apostel Bartholomeus [25 augustus].
AD
Bron:
De Geer, J. J. de, ‘Oorkonden betrekkelijk tot de abdij van St. Laurentius en het vrouwenklooster te Oostbroek De Vroucloister’, in: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, Tweede serie, vierde deel, tweede afdeeling (Utrecht 1860) pp. 24vv.