Buiten huilt de wind om ’t huis
Maar moeder breidt een warme sjaal
En het ganzenbord op tafel
Stond er de volgende morgen nog helemaal
Ook gingen wij naar ’t bos
Daar zijn we toen verdwaald
Van de weg geraakt, carrière gemaakt
Heel die pannenkoekensmaak vergeten

(Kees van Kooten en Wim de Bie naar Gilbert O’Sullivan)

Met het hele gezin een spelletje ganzebord spelen of voorlezen is tegenwoordig niet meer een standaardvorm van vrijetijdsbesteding en samen luisteren naar de radio is ook vrijwel verdwenen.

De radiostations waren vroeger sterker verzuild dan nu en het lag aan je geloof of je politieke overtuiging, naar welke omroep je luisterde. In het mandement van 1954 verboden de katholieke bisschoppen het luisteren naar de socialistische omroep VARA. Die omroepen wisselden elkaar af op één zender; later kwam ook Hilversum Twee. Men luisterde naar de hoorspelen, bijvoorbeeld over Paul Vlaanderen en De Familie Doorsnee. Vooral de amusementsprogramma’s op de zaterdagavond waren in trek.

De televisie drong vanaf de jaren vijftig langzaam in de huiskamers door. Vaak waren er maar een paar toestellen in de straat en dan mochten de kinderen op de woensdagmiddag en de zaterdagmiddag naar het kinderprogramma komen kijken zoals Dappere Dodo en Morgen gebeurt het. Later kwamen Swiebertje en Pipo de Clown. Er was één net met 24 uur televisie – 24 uur per week wel te verstaan. In 1961 waren er een miljoen tv-toestellen. Op de foto hierboven zien we het gezin Milius uit Deventer, bij wiehet miljoenste toestel kwam te staan. (foto Wikipedia)

Ook de beeldbuis was sterk verzuild, maar door de tv maakte het platteland kennis met de stad, het oosten met het westen, en kon iedereen zien dat de mensen in de andere zuilen niet per definitie raar of achterlijk waren.

In 1960 werd de vrije zaterdag ingevoerd. Naarmate de werkweek korter werd, bleef er meer tijd over om zelf te besteden. Op zondag deden gezinnen wel aan bermtoerisme: ze gingen langs de weg zitten picknicken en keken naar het voorbijrijdende verkeer. Klassiek was het dagje in de speeltuin.

Sommige mensen hadden geen geld of tijd voor vakantie; anderen kampeerden in het eigen land in een tent. In de jaren zestig begonnen Nederlanders ook te kamperen in het aangrenzende buitenland. Je kon ze herkennen aan de bagage die hoog gestapeld was op de imperiaal van de auto, als een soort knotje op een oude vrijster.

In dit hoofdstuk willen we iets vertellen over de speeltuin, over de radio, over Swiebertje en over het jeugdkamp.

DAB

U bevindt u op de Rondleiding over nostalgie. Voor het vervolg klik HIER.